Studiesucces in de G4

Populatiekenmerken verklaren verschillen in studieresultaten

Auteurs:

Jan Neuvel & Marc van der Meer

Publicatiedatum:


Thema:

Instroom-doorstroom-uitstroom

APA-referentie:

Neuvel, J., & Van der Meer, M. (2014). Studiesucces in de G4. Populaties als verklaring voor verschillen tussen roc’s uit de G4 en de overige roc’s. 's-Hertogenbosch: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.

Korte samenvatting:

Dat studieresultaten van roc’s in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (de G4) achterblijven bij het landelijk gemiddelde was bekend. Maar welke factoren spelen daarbij nu eigenlijk een rol? De samenstelling van de leerlingenpopulatie kan verantwoordelijk zijn voor de achterblijvende resultaten, maar mogelijk vormen ook de kwaliteit van het onderwijs en/of de loopbaanbegeleiding een verklaring. Op verzoek van de roc’s uit de G4 onderzocht ECBO de vraag naar de rol van deze twee factoren. Populatiekenmerken Met behulp van BRON-data met leerlinggegevens laten de onderzoekers op basis van vijf succesindicatoren zien dat de verschillen in studiesucces in bijna alle gevallen (mbo-niveau 1, 2, 3 en 4, zowel bol als bbl) volledig te verklaren zijn door populatiekenmerken. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de kwaliteit van het onderwijs in roc’s uit de G4 van gelijk niveau is als dat van de overige roc’s. Tegelijkertijd blijkt dat voor drie van de vier instroomniveaus procentueel meer bbl-studenten van roc’s uit de G4 een mbo-diploma behalen dan bbl-studenten van overige roc’s.

Waardering studieresultaten

De gevonden verklaringen voor de verschillen in studieresultaten roepen een aantal actuele vragen op: moeten we in de waardering van studieresultaten niet meer rekening houden met de achtergrondkenmerken van studenten? En waarom bereiken sommige instellingen betere resultaten op het terrein van de doorstroom van leerlingen dan andere scholen?

Download de onderzoekspublicatie

Voor meer informatie neem contact op