Inductie in het hbo
Eindrapport Actie-onderzoek

Auteurs:

Merel Wolf, Nina van Veldhuizen, Jose Hermanussen, Ester Scholten

Publicatiedatum:


Thema:

Leraren / docenten / opleiders

APA-referentie:

Wolf, M., van Veldhuizen, N., Hermanussen, J., & Scholten, E. (2026). Inductie in het hbo – Eindrapport Actie-onderzoek. CINOP-ECBO in opdracht van Zestor, arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo.

Korte samenvatting:

Hogescholen staan voor de uitdaging om de uitstroom en ongewenste uitval van startende docenten terug te dringen. Een belangrijk middel hiervoor is een goed doordachte en effectief uitgevoerde inductieperiode: de begeleiding en ondersteuning van nieuwe docenten in de eerste jaren. Effectieve inductie kent een aantal kenmerken en condities (randvoorwaarden):

Vier hogescholen namen deel aan een actie-onderzoek (2023–2025) waarin zij elk een eigen inductiepilot ontwikkelden, testten en evalueerden. Het actie-onderzoek bestond uit twee componenten:

  1. Een pilotcomponent voor ontwerp en implementatie van een (element van een) inductie-aanpak, via de Design Thinking methodiek.
  2. Een onderzoekscomponent, ter verheldering van de beginsituatie op het vlak van inductie in de instelling. Dit geschiedde via een enquête onder belanghebbenden. Na afloop van de pilots zijn de opbrengsten ervan in kaart gebracht via focusgroepsgesprekken met verschillende betrokkenen: starters, begeleiders, ontwikkelaars en management.

De resultaten van dit actie-onderzoek laten zien dat de hogescholen door de pilots via de ontwikkeling van methodieken, programma’s, producten, tools en processen gericht hebben gewerkt aan de doorontwikkeling en versterking van een aantal inductiekenmerken, denk bijvoorbeeld aan maatwerk, laagdrempelige hulp, advies van ervaren collega’s, en een overzicht krijgen over professionaliseringsmogelijkheden en het inductieproces. De pilots hebben ertoe bijgedragen dat losse inductie- en professionaliseringsactiviteiten binnen de instellingen meer verbonden zijn geraakt in de vorm van een doorgaande leerlijn.

De pilots hebben gericht gewerkt aan de versterking van alle condities die vanuit de literatuur bekend zijn als bevorderend voor effectieve inductie. Er is bijvoorbeeld gewerkt aan de samenwerking tussen verschillende actoren binnen het inductieproces, rolduidelijkheid voor de betrokkenen, multiperspectiviteit bij het ontwikkelen van de inhoud van de inductie, en draagvlakverbreding door standaardaanpakken op maat te maken en toe te spitsen op specifieke behoeften van bepaalde sectoren. Bij alle pilots was er ook nog ruimte voor verdere ontwikkeling, met name op het gebied van het ontwikkelen van een gedeelde visie op opleiden en professionaliseren die als inrichtings- en verantwoordingskader geldt voor alle organisatieonderdelen, zodat inductie niet slechts vrijblijvend is, maar geborgen in de organisatie.

We formuleerden zes aanbevelingen om verder te werken aan inductiepraktijken in het hbo:

  1. Zorg voor goed zicht op de beginsituatie
  2. Ontwerp methodisch vanuit een integraal perspectief
  3. Benut nog sterker de beschikbare kennis over effectieve inductie
  4. Zorg voor een doorlopende ontwikkellijn
  5. Monitor systematisch de voortgang van de inductiepraktijken en effecten
  6. Zorg voor stabiliteit in bekostiging en subsidiebeleid

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Zestor, arbeidsmarkt- en opleidingsfonds hbo