Kwalificatiestructuur mbo als communicatie-instrument

Kwalificatiestructuur mbo als communicatie-instrument

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 juli 2021

  • Geplaatst: augustus 2014
  • Auteur: Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO)
  • Update: juli 2021


    Is het: het bedrijfsleven vraagt, het middelbaar beroepsonderwijs draait? Of moet het mbo studenten ook andere dan beroepsvaardigheden meegeven? Bijvoorbeeld kennis over de samenleving of kennis die nodig is voor doorstroom naar een vervolgopleiding? Zie hier het spanningsveld waarin mbo-kwalificaties vorm krijgen: welke competenties zijn belangrijk als bagage voor een onzekere toekomst? Het debat over deze vraag is zo oud als het mbo zelf. De afspraak is dat in landelijke kwalificatiedossiers wordt vastgelegd welke keuze-opties studenten hebben in hun opleidingstraject en welke kennis en vaardigheden ze zich, om een diploma te halen, eigen moeten maken. Het is aan de mbo-instellingen om binnen dit kader het keuzeproces en het leerproces van studenten te begeleiden.

    Vanuit de arbeidsmarkt bezien staan in een kwalificatiedossier de eisen waaraan een beginnend beroepsbeoefenaar moet voldoen. Het onderwijs moet zijn opleidingen daarop afstemmen. Beide perspectieven, dat van de arbeidsmarkt en dat van de scholen, staan op enigszins gespannen voet. Het is de spanning tussen de wensen van bedrijven die het liefst mbo-studenten willen hebben die precies hebben geleerd wat het bedrijf nodig heeft en de wens van de scholen om niet te worden opgescheept met een grote variëteit van opleidingen die hen voor grote organisatorische, logistieke en financiële uitdagingen stelt.

    Beroepsonderwijs en bedrijfsleven: zoeken naar balans

    Samen de schouders eronder: dat is de tijdgeest van de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog. De behoefte aan geschoolde medewerkers zorgt voor een stevige band tussen onderwijs en bedrijfsleven; het beroepsonderwijs is van eminent belang om het land er weer bovenop te krijgen. Dat verandert eind jaren zestig als de welvaart toeneemt en het beroepsonderwijs onder invloed komt van het ontplooiingsdenken. De reactie van het bedrijfsleven is voorspelbaar: beroepsonderwijs verliest zijn economische betekenis.

    Begin jaren tachtig wordt de relatie hersteld met de afspraak dat bedrijfsleven en scholen voortaan samen de eindtermen van het middelbaar beroepsonderwijs – de kwalificaties – vaststellen. En dat eindtermen niet langer alleen voorbereiden op de beroepsuitoefening maar ook op doorstroom naar vervolgopleidingen (binnen en buiten het middelbaar beroepsonderwijs, inclusief een leven lang ontwikkelen) en op deelname aan de maatschappij. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft met andere woorden een drievoudige kwalificeringsopdracht. In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) van 1996 wordt deze opdracht formeel vastgelegd.

    Uiteenlopende beelden van de kwalificaties

    In de geest van de WEB moeten de kwalificaties, en het proces waarin het beroepsgerichte deel van die kwalificaties wordt ontwikkeld, hèt kanaal zijn voor de communicatie tussen bedrijfsleven en onderwijs; ze moeten er samen uitkomen. Dat gaat niet zonder slag of stoot omdat kwalificaties voor het bedrijfsleven en het beroepsonderwijs verschillende functies hebben. Voor het bedrijfsleven zijn kwalificaties de voordeur waardoor nieuwe beroepsbeoefenaren binnenkomen. Elke bedrijfstak of branche wil het liefst een op de eigen beroepsuitoefening toegespitste set van kwalificaties in de kwalificatiestructuur, de totale verzameling van mbo-kwalificaties. Voor het onderwijs vormen de kwalificaties de kaders voor het inrichten van het onderwijs en de examinering. En dat moeten er vooral ook niet te veel zijn. Dat leidt immers tot (te) talrijke, in omvang kleine en dus bewerkelijke opleidingen. Herhaalde malen wordt de kwalificatiestructuur herzien. Niemand is echt tevreden, ook het ministerie van OCW niet. De uitkomsten van het overleg tussen onderwijs en bedrijfsleven, de verzameling kwalificaties in de kwalificatiestructuur, zijn voor het ministerie steeds aanleiding om in te grijpen. Bottom line: het aantal kwalificaties is veel te groot en de indeling moet anders.

    Wie heeft de regie?

    De overheidsbemoeienis begint in 1986 als het ministerie van OCW een stappenplan introduceert voor het ontwikkelen van kwalificaties:

    1. sociale partners van iedere sector ontwikkelen de beroepsprofielen;
    2. onderwijs en bedrijfsleven zetten samen de profielen om in kwalificaties (eindtermen);
    3. elke mbo-school werkt zelf de kwalificaties uit in leerplannen en examens.

    De platforms die voor deze taak in het leven worden geroepen, de bedrijfstakgewijze overlegorganen onderwijsbedrijfsleven (BOOB’s), leveren in kort tijdsbestek een eerste en tweede generatie kwalificaties op. Maar hun optreden is weinig gelukkig. Dat ligt grotendeels aan de combinatie van kinderziekten en tijdsdruk waaronder de documenten moeten worden geproduceerd (Hövels et al., 2006). Met de WEB wordt het ontwikkelen van kwalificaties de taak van Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven en al snel volgt de derde generatie eindtermendocumenten (1996). Scholen ontvangen de successieve generaties met gemengde gevoelens. Niet alleen vanwege de noodzaak tot bijna permanente aanpassing van leerplannen. Er is ook kritiek op de inhoud. Kwalificaties zijn bedoeld als input voor het ontwikkelen van leerplannen, maar in de praktijk kunnen scholen er slecht mee uit de voeten. Om uiteenlopende redenen: de ene gebruiker vindt dat kwalificaties te weinig richting geven, de andere dat ze te voorschrijvend zijn en inbreuk maken op de programmeervrijheid van de school.

    In beleidskringen valt men vooral over de gedetailleerdheid van de eindtermen en het aantal kwalificaties. Reden voor de minister van OCW de Sociaal-Economische Raad (SER) om een salomonsoordeel te vragen: hoe in de kwalificaties een basis te leggen voor een leven lang leren en weerbaarheid op de arbeidsmarkt, en tegelijkertijd de herkenbaarheid voor de leerbedrijven en het praktijkgerichte karakter van de opleidingen te handhaven? (SER, 1997).

    Kwalificaties in termen van competenties

    Op basis van het advies van de SER en van anderen komt in 1999 de Adviescommissie Onderwijs-Arbeidsmarkt (ACOA) met het advies kwalificaties als competenties te formuleren. Aanleiding voor het ontwikkelen van weer een nieuwe kwalificatiestructuur. Deze is in 2004 gereed, hoewel het tot 2010 zal duren voordat alle kwalificaties naar ieders inzicht voldoende competentiegericht zijn. Met ingang van 2012 is de beroepsgerichte kwalificatiestructuur van het mbo in de wet verankerd (Glaudé et al., 2011).

    Actieplan mbo ‘Focus op vakmanschap 2011-2015’

    Toch is ook de opbrengst van deze ronde voor het ministerie van OCW aanleiding tot ingrijpen. Er moet (weer) een nieuwe kwalificatiestructuur opgeleverd  worden, staat in het Actieplan mbo ‘Focus op Vakmanschap 2011-2015’. De hoofdlijnen blijven ongewijzigd: voor het onderwijs uitvoerbaar en rekening houdend met de wensen van het bedrijfsleven en natuurlijk minder kwalificaties.

    Nieuw is dat kwalificaties niet gekoppeld mogen zijn. Een student mag niet verplicht worden eerst een opleiding op een lager niveau te volgen om door te kunnen stromen naar een hoger niveau. Dus niet eerst naar niveau 2 als toegangsvoorwaarde voor een opleiding op niveau 3. Ook krijgen de verbindingen met het toeleverend en vervolgonderwijs meer aandacht. Kwalificaties moeten voortbouwen op verwante examenprogramma’s in het vmbo en aansluiten op het hbo. Dat aansluiting met de rest van het onderwijs meer aandacht krijgt, zien we ook in het feit dat in de kwalificaties rekening moet worden gehouden met de referentiekaders die voor het hele onderwijs gelden: de referentieniveaus voor Nederlands en rekenen, en (op niveau 4) Engels, en het European Qualifications Framework (EQF) .

    Mbo-instellingen hebben, nadat de datum enige keren is uitgesteld, op 1 augustus 2016 alle opleidingen op de nieuwe kwalificatiedossiers aangepast.

    Ook organisatorisch verandert het een en ander. De in 2012 opgerichte Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) krijgt een sectoroverstijgend mandaat om alle kwalificaties te ontwikkelen en van de kwalificatiestructuur een samenhangend geheel te maken. In een andere verandering herkennen we eerdere discussies. Een cluster van beroepen, en niet één beroep, vormt nu het fundament van een kwalificatiedossier. Dit zou tot een sterke reductie van het aantal dossiers moeten leiden, zij het dat elk dossier meerdere kwalificaties bevat, profieldelen genoemd. Elk dossier kent dus meerdere profieldelen. Er mogen dan wel minder dossiers zijn, maar aan het totaal aantal profieldelen (diploma’s) is weinig veranderd.

    En er zijn nu keuzedelen. In plaats van een hele kwalificatie van begin tot eind door te werken, kan een student met een selectie uit de keuzedelen een eigen accent aan de opleiding geven, om zich in een bepaalde richting te specialiseren of te verbreden of om zich voor te bereiden op doorstroom naar het hbo.

    Ruimte voor de regio

    Het bedrijfsleven en het onderwijs zijn samen verantwoordelijk om de ontwikkeling van kwalificaties tot een goed einde te brengen. In dit proces moet voor allerlei spanningen een uitweg worden gevonden. Naast spanning op de verschillende perspectieven op kwalificaties, is er ook spanning tussen het landelijke niveau waar de kwalificaties worden vastgesteld, vertegenwoordigd door SBB, en het regionale niveau, de mbo-scholen, waar ze worden omgezet in opleidingen. Mbo-scholen willen kwalificaties graag een regionaal accent geven. Een van de argumenten is dat regionale bedrijven zich niet in de landelijke kwalificatie herkennen en scholen daarop aanspreken. Om aan deze spanning tegemoet te komen is in 2019 een experiment gestart met de veelzeggende titel ‘Ruimte voor de regio’. Het experiment moet nagaan of de aansluiting van het onderwijs op de regionale arbeidsmarkt verbetert met geregionaliseerde beroepsopleidingen. De opbouw daarvan wijkt af van reguliere beroepsopleidingen door ruimte voor een regionaal accent in het profieldeel en opties voor regionale keuzedelen.

    Op 16 december 2020 constateert de minister in een brief aan de Tweede Kamer dat er meer aanpassingen nodig zijn om de responsiviteit van de kwalificatiestructuur te verbeteren. Uit de ervaringen in ‘ruimte voor de regio’ blijkt bijvoorbeeld dat het hebben van invloed op de inhoud van kwalificaties motiverend werkt; dat geldt voor scholen én het bedrijfsleven. Dit vraagt om een nieuwe werkwijze, eentje waarbij SBB en onderwijs en bedrijfsleven gezamenlijk werken aan het tot stand komen van nieuwe kwalificatie-eisen.

    Opnieuw: de balans

    Door de jaren heen hebben het perspectief van het bedrijfsleven en het onderwijs om voorrang gestreden. Dit was een belangrijke driver van het wijzigen van de overlegarrangementen en de samenstelling van de kwalificatiedossiers. Deze zijn misschien wel even vaak veranderd als de inhoud van beroepen zelf. Misschien is het een troost dat volgens Busemeyer en Trampusch (2012) de spanning tussen deze perspectieven, die van het bedrijfsleven en de overheid als hoeder van het onderwijsstelsel, kenmerkend is voor beroepsonderwijs waarin beide partijen betrokken zijn bij het vaststellen van leerdoelen. Mooi is dat het beroepsonderwijs dan ingebed is in het economische systeem en in het onderwijsbestel, maar daar staat wel tegenover dat er steeds opnieuw naar compromissen moeten worden gezocht tussen uiteenlopende, en soms divergerende oriëntaties.

    Toch is er iets veranderd. Inmiddels wordt het voor mbo-instellingen steeds belangrijker om werk te maken van hun relatie met het regionale bedrijfsleven. De aansluiting tussen ontwikkelingen in de beroepspraktijk en kwalificaties is niet langer alleen een landelijk zaak. Bedrijven gaan zelf met scholen in gesprek over hun wensen en willen zelf die aansluiting bewaken.

    Enkele deskundigen

    Wim Jellema, beleidsadviseur Toetsingskamer SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven)

    Bronnen

    • Busemeyer, M., & Trampusch, Chr. (2012). The Political Economy of Collective Skill Formation. Oxford: Oxford University Press.
    • Coördinatiepunt Toetsing kwalificaties in het mbo (2011). Het ontstaan van een kwalificatiedossier: Betrokken partijen aan het woord. Zoetermeer: Coördinatiepunt.
    • Glaudé, M., Van den Berg, J., Verbeek, F., & De Bruijn, E. (2011). Pedagogisch-didactisch handelen van docenten in het middelbaar beroepsonderwijsLiteratuurstudie. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
    • Hövels, B., Visser, K., & Schuit, H. (2006). Over ‘hamers en ‘vasthouden’ gesproken. Vijfentwintig jaar beroepsonderwijs in Nederland: Terug- en vooruitblik. ’s-Hertogenbosch: Adviescommissie Onderwijs- Arbeidsmarkt.
    • Min. OenW (1986). Beroepsprofiel- en leerplanontwikkeling beroepsonderwijsBeleidsnotitie over de onderwijskundige concretisering van een deel van de ‘Wagner-afspraken’. Zoetermeer: Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
    • Min. OCW (2011). Actieplan mbo ‘Focus op Vakmanschap 2011-2015. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
    • Min. OCW (2012). Productie en oplevering kwalificatiestructuur MBO 3.0. Brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven d.d. 21 juni 2012. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
    • Min. OCW (2020). Toekomstperspectief kwalificatiestructuurBrief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 16 december 2020. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
    • SER (1997). Versterking secundair beroepsonderwijsAdvies Versterking secundair beroepsonderwijs uitgebracht aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Publicatienummer 34. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
    • Van Wieringen, A. M. L. (1984). Alleen is erger; Over de dynamiek van de betrekkingen tussen onderwijs en arbeid. In J. Branger, N. L. Dodde, & W. Wielemans (red.), Onderwijsbeleid in Nederland. Leuven/Amersfoort: Acco.

    Relevante websites

     

Levensloopeffecten van beroepsgericht onderwijs

De valkuil van vocational decline

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 juni 2020

  • Geplaatst: oktober 2017
  • Auteur: Andrea Forster, promovenda Vakgroep Sociologie, Universiteit van Amsterdam
  • Update: juni 2020


    Waar ben je als jongere het beste mee af? Met een beroepsgerichte opleiding of juist met algemeen onderwijs? En dat dan niet alleen op de korte termijn, bij het betreden van de arbeidsmarkt, maar bekeken over het hele arbeidzame leven. Dat is nog niet zo eenvoudig. Zo bracht recent onderzoek uit de wereld van de onderwijssociologie het fenomeen van vocational decline  aan het licht. Een patroon van vroege voordelen en latere nadelen, dat vooral aan beroepsgerichte opleidingen zou kleven.

    Beroepsonderwijs versus algemeen onderwijs

    Belangrijk voor jongeren is, in het algemeen, of de opleiding waarvoor ze kiezen een goede voorbereiding biedt op het beroepsleven. Daarom proberen onderzoekers te achterhalen of het voordelig is om een beroepsopleiding in het mbo of hbo te volgen. Of dat juist een algemeen vormende opleiding, zoals havo, een betere keuze is. Tot voor kort leek het een uitgemaakte zaak. Onderzoek naar de overgang van school naar werk concludeerde herhaaldelijk dat jonge afgestudeerden van het beroepsonderwijs het goed doen op de arbeidsmarkt en dat zij makkelijker een baan vinden dan studenten die algemeen onderwijs hebben gevolgd (Shavit & Müller, 1998; Breen, 2005). Geen wonder dat beleidsmakers over de hele wereld graag investeren in beroepsonderwijs als het erom gaat de jeugdwerkloosheid te verminderen.

    Is daarmee de kous af? Nee, want wat gebeurt er met jonge werknemers ná die eerste baan? Lange tijd hebben onderzoekers en beleidsmakers daar weinig aandacht aan besteed. Ten onrechte. Het is belangrijk om na te gaan of werknemers met een beroepsgerichte opleiding het goed blijven doen op de arbeidsmarkt. Dat valt te bezien. De afgelopen jaren heeft een groep onderzoekers rond de Stanford-hoogleraar Eric Hanushek betoogd dat afgestudeerden van het beroepsonderwijs het inderdaad aanvankelijk goed doen op de arbeidsmarkt, maar dat zij later in hun loopbaan relatief vaak het slachtoffer zijn van werkloosheid en stagnerende lonen. Dit patroon van vroege voordelen en latere nadelen noemen de onderzoekers vocational decline (Hanushek, Schwerdt, Woessmann & Zhang, 2017).

    Vocational decline – Hoe het werkt

    Hoe dit fenomeen te verklaren? Volgens de onderzoekers heeft het alles te maken met de specifieke vaardigheden die in het beroepsonderwijs worden aangeleerd en de nauwe verbinding tussen school en werk (Arum & Shavit, 1995). Veel studenten in het beroepsonderwijs lopen stage of werken bij een bedrijf tijdens hun opleiding. Dit is een voordeel aan het begin van de carrière: werkgevers zijn op zoek naar werknemers die meteen aan het werk kunnen, zonder veel training. Afgestudeerden van het beroepsonderwijs zijn dan een perfecte match. Als zij komen solliciteren, kennen werkgevers hen veelal reeds van een stage of van praktijkonderwijs.

    Op die manier komen afgestudeerden met een beroepsgericht diploma in het algemeen makkelijker aan een baan. Later kunnen deze specifieke vaardigheden echter een probleem worden. De stand van de technologie verandert met de tijd en na een aantal jaren raken de specifieke vaardigheden verouderd. Te meer omdat werkgevers vaak niet voldoende bijscholing aanbieden om dat te voorkomen. Goed fout loopt het als deze werknemers hun baan verliezen. Vanwege hun specifieke vaardigheden en hun sterke binding aan een bepaald bedrijf is het erg moeilijk om een nieuwe baan te vinden.

    Voor de hand ligt dat vocational decline zich vooral manifesteert in landen met een groot aandeel beroepsonderwijs. Daartoe behoort ook Nederland (zie voetnoot 1) . Ons onderwijsstelsel rust immers sterk op beroepsgerichte studieprogramma’s. In hoeverre klopt die veronderstelling? Is Nederland inderdaad in bijzondere mate onderhevig aan vocational decline? 

    Vergelijkend onderzoek in 20 landen

    Hanusheks idee klopt, dat allereerst. Dat wil zeggen: in grote lijnen. Onderzoek in meer dan 20 OESO-landen met behulp van grootschalige internationale enquêtes bevestigt de juistheid van zijn theorie (Hanushek e.a., 2017; Forster, Bol & Van de Werfhorst, 2016). Op een leeftijd tussen de 25 en 30 jaar hebben significant meer afgestudeerden uit het beroepsonderwijs een baan dan afgestudeerden uit het algemeen onderwijs. Dit verschil wordt daarna kleiner en verdwijnt op ongeveer 40- tot 45-jarige leeftijd. Op dat moment hebben werknemers met beroepsgericht en algemeen onderwijs dezelfde kans om werk te hebben. In de jaren daarna beginnen de groepen weer uiteen te lopen, maar nu zijn werknemers met specifieke vaardigheden in het nadeel.

    Dat is het algemene beeld. Maar geldt dat ook voor Nederland? Werkt ons onderwijsstelsel vocational decline in de hand? Dit blijkt niet het geval te zijn. Uit landenvergelijkend onderzoek blijkt dat werknemers met een Nederlands diploma van het mbo of het hbo het heel goed doen op de arbeidsmarkt. Niet alleen wanneer ze jong zijn, aan het begin van hun carrière, maar óók op latere leeftijd. Ze raken niet achterop, kunnen goed aan het werk blijven. Het bestaande onderzoek geeft hier nog geen verklaring voor maar het lijkt er dus op dat onze mbo- en hbo-opleidingen jongeren relatief goed voorbereiden op de arbeidsmarkt.

    Beroepsgerichtheid van Nederlandse opleidingen

    Resteert de vraag of die duurzaamheid van Nederlandse beroepsopleidingen aanwezig is over de hele linie, in het hele spectrum van studieprogramma’s. Het onderzoek naar OESO-landen geeft daar geen uitsluitsel over, daarvoor is het veel te breed van opzet. Maar toch valt er wel iets zinnigs over te zeggen. Door beroepsonderwijs en algemeen onderwijs in Nederland wat nauwkeuriger te bekijken en verschillende opleidingen met elkaar te vergelijken. Met als centrale vraag welke studierichtingen in het mbo of op de universiteit goed zijn voor de werkkansen van jongeren.

    Maar eerst nog het volgende. Voor onderzoekers en beleidsmakers vallen alle programma’s die in een beroepsgerichte school onder de noemer ‘beroepsgericht onderwijs’. Er zijn slechts twee categorieën: een onderwijstype is ofwel beroepsgericht dan wel algemeen. Met bovendien als aanname dat opleidingen in het beroepsonderwijs uitsluitend gericht zijn op specifieke vaardigheden en opleidingen in het algemeen onderwijs uitsluitend op algemene vaardigheden.

    Daar is echter geen sprake van. Studierichtingen binnen eenzelfde onderwijstype vertonen grote verschillen. Zo leert binnen het mbo iemand die wordt opgeleid tot automonteur veel specifiekere vaardigheden dan iemand die een economische studie volgt. Hetzelfde geldt voor studierichtingen binnen het algemeen onderwijs. Wie aan de universiteit geneeskunde studeert, wordt heel nadrukkelijk voor een specifiek beroep opgeleid. Studenten in de sociale wetenschappen daarentegen leren veel bredere vaardigheden.

    Volgens de theorie van Hanushek zouden afgestudeerden van specifiekere programma’s zoals autotechniek of geneeskunde makkelijker een eerste baan vinden, maar minder vaak werk hebben wanneer ze ouder zijn. Afgestudeerden die algemenere vaardigheden leerden, zoals in administratieve programma’s binnen het mbo of sociale wetenschappen op de universiteit, zouden moeilijker een eerste baan vinden. Daarbij zou het niet belangrijk zijn of deze specifieke vaardigheden in het beroepsonderwijs of in het algemeen onderwijs worden aangeboden. Immers, programma’s die erg sterk aan bepaalde beroepen gelinkt zijn, kunnen als specifiek beschouwd worden. Of zij nu in het mbo of binnen de universiteit te vinden zijn (DiPrete, Bol, Chiocca & Van de Werfhorst, 2017).

    Het effect van specifieke vaardigheden

    Kloppen deze veronderstellingen? Gaat Hanusheks theorie van vocational decline wel op als we deze verfijning binnen onderwijstypes toepassen? Ook dan blijkt dit niet het geval. Onderzoek dat gebruikmaakt van data uit de Enquête Beroepsbevolking toont aan dat afgestudeerden van specifieke studieprogramma’s in alle schoolvormen het over de hele levensloop goed doen op de arbeidsmarkt (Forster & Bol, 2017). Aan het begin van hun carrière profiteren zij van hun specifieke vaardigheden en hebben zij een grotere kans op werk dan afgestudeerden van programma’s die algemener van aard zijn. Maar aan het eind van hun carrière, op ongeveer 60-jarige leeftijd, doen werknemers met specifieke diploma’s het nog stééds even goed als afgestudeerden van minder specifieke studieprogramma’s. Naarmate de loopbaan vordert, raken zij de voordelen van hun specifieke vaardigheden kwijt, maar er ontstaan geen duidelijke nadelen in vergelijking met werknemers die een algemene opleiding hebben genoten. Met andere woorden, er is dus evenmin bewijs voor Hanusheks theorie als we binnen Nederlandse onderwijstypen uitsluitend kijken naar studieprogramma’s en opleidingen met een specifiek karakter. Wat wél klopt is dat studierichtingen met een sterke link tot een beroep gunstig zijn voor studenten. Immers, ze komen daarmee sneller aan de slag. Dat geldt voor zowel mbo als universiteit.

    Conclusies

    Specifieke vaardigheden zijn waardevol, mogen we concluderen. Niet alleen voor afgestudeerden van het mbo, maar ook bijvoorbeeld voor afgestudeerden van de universiteit. Wat betekent dit voor het Nederlandse onderwijs? Moet er een zwaarder accent komen te liggen op specifieke vaardigheden, ongeacht het onderwijstype? Die vraag is niet makkelijk te beantwoorden. Het is zeker een belangrijk doel van onderwijs om de kans op werk voor studenten te vergroten, maar het is niet het enige doel. Al was het alleen maar omdat ook andere aspecten van werk aandacht verdienen, zoals de hoogte van het loon, de beroepsstatus en of het werk voldoening geeft. En verder is de voorbereiding op de arbeidsmarkt slechts één van de doelen van onderwijs. Denkbaar is dat studieprogramma’s die goed zijn voor kansen op de arbeidsmarkt juist heel slecht zijn voor andere uitkomsten zoals maatschappelijke participatie.

    We moeten dus ook nagaan hoe beroepsgerichtheid deze andere doelen van onderwijs beïnvloedt. Maar vast staat in ieder geval dat beroepsgericht onderwijs in Nederland meer voordelen dan nadelen heeft voor de baankansen van jongeren. Dus als werkkansen op de voorgrond staan, kan aan jongeren het advies worden gegeven om opleidingen te volgen die specifieke vaardigheden bevorderen en die naar een specifiek beroep leiden. Het maakt daarbij niet uit of deze opleidingen in het mbo of op de universiteit worden aangeboden. Voor beleidsmakers is het relevant dat beroepsgerichte inhoud belangrijk is voor iedere soort van opleiding. Verbindingen met de arbeidsmarkt bevorderen de kansen op werk, óók binnen het algemene onderwijs.

    (voetnoot 1) Zie de website van CEDEFOP voor Europese data voor aantallen studenten (voortgezet onderwijs zonder hoger onderwijs).

    Enkele deskundigen

    • Herman van de Werfhorst, Hoogleraar Sociologie, Universiteit van Amsterdam
    • Thijs Bol, Universitair docent, Universiteit van Amsterdam
    • Andrea Forster, Promovenda, Universiteit van Amsterdam

    Bronnen

     

Transitie van mbo naar hbo

‘Weerbaar en wendbaar’ als succesfactor

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 juni 2020

  • Geplaatst: mei 2018
  • Auteur: Jeany van Beelen-Slijper, Hogeschool Inholland
  • Update: juni 2020


    Rond 40% van de mbo-studenten van niveau 4 kiest na diplomering voor doorstuderen in het hbo. Een overgang die voor menigeen problemen oplevert. Het percentage uitvallers in het eerste jaar is aanzienlijk. Hoe komt dat, waar liggen de struikelblokken en: wat te doen om die transitie soepeler te laten verlopen? Zijn mbo’ers wel ‘weerbaar en wendbaar’ genoeg voor het hbo?

    Startende mbo’ers in het hbo

    Met een hbo-diploma verbeter je je kansen op de arbeidsmarkt. Vanuit die overtuiging kiezen veel afgestudeerde mbo’ers voor een vervolgopleiding in het hbo. Maar liefst 40% van de mbo 4-studenten deed dat de afgelopen jaren (Mulder et al., 2016). Jammer genoeg loopt dat nogal eens uit op een teleurstelling. Minder dan de helft van de studenten die zich inschrijven in het hbo slaagt erin om binnen vijf jaar een diploma op zak te krijgen. Ongeacht de genoten vooropleiding. Maar mbo’ers springen eruit: het percentage uitvallers in het eerste studiejaar is bij mbo’ers beduidend hoger dan bij havisten (22,4% bij mbo’ers ten opzichte van 12,1% bij de havisten volgens de Factsheet Uitval en Rendement van de Vereniging Hogescholen, 2016. Zie ook Warps, 2012; Elffers, 2016.).

    Ook vanuit de politiek hecht men belang aan een betere doorstroom van mbo naar hbo. Daarom reserveerde in 2016 voormalig minister Bussemaker van Onderwijs 11 miljoen euro om de doorstroom vanuit het mbo naar het hbo te verbeteren. Maar wat zou er dan moeten gebeuren? De strategische visie van de Vereniging Hogescholen voor 2025 geeft aan dat een toekomstige hbo’er weerbaar en wendbaar moet zijn. Ligt daar dan wellicht de sleutel, is dat de succesfactor voor mbo’ers?

    Gezien de uitvalpercentages in het eerste hbo-jaar rijst de vraag in hoeverre mbo’ers voldoende in staat zijn ‘mee te bewegen’ in het hbo. En ook of ze voldoende weerbaar zijn als het gaat om de veranderingen waarmee ze in het hbo te maken krijgen. Hoe kunnen mbo en hbo de handen ineenslaan om de overgang van mbo naar hbo te versoepelen? Niet onbelangrijk daarbij: waar hebben mbo’ers zélf behoefte aan? Waar krijgen zij bij hun start op het hbo mee te maken? Om deze vragen te beantwoorden is het van belang inzicht te krijgen in het achterliggende proces van de kiezende mbo’er.

    Het promotieonderzoek En wat kan ik dan later worden? (Slijper, 2017) brengt concreet in kaart waar mbo’ers tegenaan lopen bij de transitie van mbo naar hbo. Op basis van dit onderzoek gaat dit lemma in op de transitie van mbo naar hbo en reflecteert achtereenvolgens op:

    • de rol van het beroepsbeeld in het studiekeuzeproces;
    • verwante en niet-verwante doorstroom;
    • struikelblokken waar mbo’ers tegenaan lopen in het hbo;
    • inrichting van aansluittrajecten.

    Studiekeuze en de rol van het beroepsbeeld

    Door stage-ervaringen heeft een mbo’er bij binnenkomst in het hbo al vaak een redelijk uitgewerkt beroepsbeeld. Het latere beroep speelt een belangrijke rol bij het maken van een studiekeuze, zo blijkt uit recent onderzoek (Slijper, 2017). Niet alleen is het beroepsbeeld sterk bepalend in het keuzeproces, het is ook van invloed op de verdere studievoortgang.

    Voor dit onderzoek naar studiekeuzeproces en -voortgang werden 89 juridische hbo-studenten voorafgaand, halverwege en aan het einde van het eerste studiejaar geïnterviewd. Het toekomstige beroep kwam bijna altijd ter sprake in deze interviews. Ervaringen op de stageplek gaven vaak aanleiding om door te studeren in het hbo. “Ik was op mijn stage bij de IND alleen maar juridisch medewerker, ik mocht alleen maar eenvoudige dingen doen” of “Ik wil degene zijn die de handtekening zet, en niet alleen het voorbereidende werk doet”.

    De focus op het latere beroep kan dermate sterk zijn dat dit ten koste gaat van een goede oriëntatie op de studie zelf. “Ik heb nooit inhoudelijk gekeken naar hbo Rechten maar meer naar wat je ermee kon worden.” Soortgelijke uitspraken waren in het onderzoek geen uitzondering.  Maar hoe belangrijk is het eigenlijk voor zowel studiekeuze als studievoortgang dat een jongere dat latere beroep zo zwaar laat meewegen in de studiekeuze? En heeft hij wel een juist beeld van dat latere beroep? Een belangrijke conclusie uit het onderzoek van Slijper is dat studenten bij wie het toekomstige beroep leidend was bij de studiekeuze, significant meer uitvielen.

    Tevens kan in twijfel worden getrokken in hoeverre het latere beroep daadwerkelijk relevant is op het moment dat een jongere kiest. Niet alleen is een adolescent nog lang niet aan het eind van zijn identiteitsontwikkeling. Hij blijkt ook een veelal abstract en ongereflecteerd beeld te hebben van dat latere beroep. Afgezien daarvan ontwikkelt de arbeidsmarkt zich razendsnel onder invloed van digitalisering en robotisering. Het klassieke beroepsbeeld dat veel mensen van een beroep hebben, blijkt daardoor op termijn niet (meer) te kloppen (Biemans et al., 2017).

    Verwante en niet-verwante doorstroom

    Er is veel te doen over het al dan niet verwant doorstromen van mbo’ers. De Wet Kwaliteit in verscheidenheid (2013) heeft geleid tot een aangescherpte regelgeving voor de doorstroom mbo-hbo. Sommige doorstuderende mbo’ers krijgen te maken met dit verscherpte toelatingsbeleid en hebben niet langer automatisch toegang tot de opleiding van hun keuze. De doorgangsroute lijkt hiermee voor mbo’ers  te worden beperkt, al lijkt het niet om enorme aantallen te gaan (Herweijer & Turkenburg, 2016).

    Echter, is deze focus op de ‘doorlopende leerlijn’ wel terecht? Want lang niet alle mbo’ers kiezen voor een vervolgopleiding in het verlengde van hun mbo-studie. Daar kunnen goede redenen voor zijn. En in hoeverre doen de mbo’ers die niet-verwant kiezen het slechter dan degenen die wel verwant doorstromen? Hogescholen die de nieuwe richtlijnen niet toepassen zien dat niet-verwante doorstromers gemiddeld genomen niet slechter scoren dan verwante doorstromers (Herweijer & Turkenburg, 2016). In het onderzoek van Herweijer en Turkenburg komt naar voren dat een hogeschool de ‘nieuwe’ maatregelen over verwante doorstroom niet toepast omdat op hun instelling de niet-verwante doorstromers gemiddeld genomen niet slechter scoren dan de verwante doorstromers.

    De resultaten uit het onderzoek van Slijper (2017) laten evenmin zien dat mbo’ers met een niet-verwante mbo-vooropleiding minder studiesucces hebben dan mbo’ers met een juridische vooropleiding. Zij lijken juist beter te hebben nagedacht over wat passend voor hen is, omdat ze de vergelijking konden maken met hun voltooide mbo-opleiding: “Mijn vooropleiding is mbo Sport en bewegen. Ik praat veel over mijn studiekeuze met een klasgenoot die mbo Dieren heeft gedaan. Want de meeste mensen snappen mijn overstap niet. Maar op een gegeven moment heb je de leeftijd om keuzes te maken.”

    Uit het onderzoek van Slijper (2017) volgt dat het onverstandig zou zijn – gezien de identiteitsontwikkeling die jongeren doormaken – om bij voorbaat de doorgangsroute voor mbo’ers te beperken. Een jongere die een bepaalde mbo-opleiding kiest op z’n zestiende weet vaak nog niet weet wat dit betekent. Daarom – zo blijkt uit de praktijk – kiest hij graag ‘breed’, zodat alle opties openblijven. Het zou goed zijn aankomende hbo-studenten de mogelijkheid te (blijven) bieden gemaakte keuzes te heroverwegen en te kunnen afwijken van een eerder ingeslagen richting op het mbo.

    Struikelblokken voor mbo’ers in het hbo

    Veel mbo’ers kijken op tegen het hbo (Slijper, 2017). Soms zijn ze ook al ‘gewaarschuwd’ voor het niveauverschil tussen mbo en hbo. Hebben ze eenmaal een start gemaakt op de vervolgopleiding, dan blijken mbo’ers vaak moeite te hebben met het zelfstandige werken dat het hbo-onderwijssysteem vraagt. Het ontbreekt hen bijvoorbeeld aan voldoende planningsvaardigheden. “Ik had niet verwacht, met het tentamen bijvoorbeeld, dat je tien weken les krijgt en opeens zoveel stof moest leren.”

    Daarnaast ervaren mbo’ers het werken met boeken als lastig: ze waren meer gewend te werken met de computer en portfolio’s. ”Het is wel moeilijk qua leren, omdat je eigenlijk een heel boek krijgt om te leren. En bij mij gaat het gewoon een stuk makkelijker en leert het beter als het wat concreter wordt gemaakt dan dat ik een boek krijg en alles moet weten.” Ook wordt de manier van tentamineren in het hbo als lastig ervaren. Studenten gaven in de interviews aan dat het om meer gaat dan het letterlijk reproduceren van de leerstof, zoals dat in hun ervaring in het mbo vaak het geval is. “Ik kan gewoon niet uitdrukken hoe erg ik mijn best heb gedaan. Ik heb de sheets erbij gepakt, ik heb mijn boeken erbij gepakt, ik heb samenvattingen gemaakt, en dan haal ik gewoon een 4,5.”

    Ten slotte realiseren mbo’ers zich pas laat in het eerste hbo-studiejaar wat de norm van het bindend studieadvies (bsa) inhoudt. “Ik wist niet wat ik kon verwachten, over tentamens. Dat is voor mij allemaal nieuw natuurlijk. Nou heb ik helaas wel twee onvoldoendes gehaald. Voor de bsa-vakken(*) nog wel. Daar was ik eerst niet van bewust.” Een betere voorbereiding op hbo-vakken en meer kennis van de benodigde hbo-vaardigheden zijn ook aanbevelingen die studenten van de zogenoemde ‘StudentLabs’ geven. Het gaat daarbij om een project, gefinancierd door het ministerie van OCW. Schoolbestuurders konden samen met 250 voormalige mbo-studenten aan de slag met plannen om de overstap van mbo naar het hbo te verbeteren. Dit resulteerde in 29 voorstellen om de aansluiting te verbeteren (StudentLab, 2016).

    Inrichting van aansluittrajecten

    Er gebeurt al veel op het gebied van aansluittrajecten. Wat is belangrijk voor een goede transitie van mbo naar hbo? In de eerste plaats dat aansluittrajecten zodanig zijn ingericht dat mbo’ers voldoende exploratiemogelijkheden krijgen om tot een goede studiekeuze te komen. Exploratie in dit verband staat voor de mate waarin een student onderzoekt: “wie ben ik, wat wil ik, wat kan ik” en alternatieven afweegt (Germeijs & Verschueren, 2007: Slijper, 2017). Daarnaast is het van belang dat ‘aansluittrajecten’ aandacht schenken aan het andere studieklimaat in het hbo. Een bewuste studiekeuze en een grondige voorbereiding op het hbo vragen om meer tijd en aandacht dan een gemiddelde open dag kan bieden, zo blijkt ook uit het hbo-ervaringsproject dat voortkwam uit de StudentLabs (2017). Op basis van het onderzoek van Slijper (2017) is het advies aansluittrajecten of keuzedelen in het laatste schooljaar van het mbo in te richten met opleidingsspecifieke vakken, zodat mbo’ers kunnen ervaren dat de hoeveelheid stof en de aangeboden vakken anders zijn dan in het mbo en kunnen kennismaken met de benodigde hbo-competenties. In de herziene kwalificatiestructuur van het mbo is sprake van keuzedelen die respectievelijk verdiepend, verbredend, remediërend of vooral op de doorstroom naar het hbo zijn ingericht.

    Het keuzedeel Doorstroom hbo richt zich specifiek op een betere voorbereiding van de mbo’ers die willen doorstuderen in het hbo. Met de ‘Rotterdamse Aanpak’ hebben roc’s en hogescholen in de regio Rotterdam de handen ineengeslagen om invulling te geven aan dit Keuzedeel Doorstroom Hbo ten behoeve van het economische domein. Het accent ligt hier op het ontwikkelen van hbo-vaardigheden, en tegelijk op het verzwaren van inhoudelijke kennis.

    Dergelijke doorstroomtrajecten zijn gebaat bij een intensieve samenwerking tussen mbo en hbo. Vanuit de dagelijkse hbo-praktijk, alsook op grond van Mulder (2016), blijkt dat dit soort trajecten veelal op opleidingsniveau geïnitieerd worden, het meest logische niveau. Docenten weten immers wat er speelt en korte lijnen blijken vaak goed te werken. Echter, deze opzet brengt ook een kwetsbaarheid met zich mee omdat ze vaak de verankering binnen de instelling missen.

    Conclusies

    Veel mbo’ers blijken onvoldoende ‘weerbaar en wendbaar’ waar het gaat om de transitie van mbo naar hbo. Er ligt vaak een (te) grote focus bij de studiekeuze op het latere beroep en dat is niet verstandig. Het is begrijpelijk dat een kiezende jongere zich bezighoudt met ‘wat kan ik dan later worden’. Het is echter aan te bevelen bij oriëntatieactiviteiten eerder het accent te leggen op beroepscontexten of beroepstaken in plaats van op het beroep zelf of kansen op werk in die beroepssector op de arbeidsmarkt.

    Bij aansluittrajecten moeten vooral accent liggen op een stukje inhoud van te kiezen opleiding. Daarbij moet er aandacht zijn voor de vaardigheden die een mbo’er nodig heeft om te kunnen doorstuderen in het hbo. Mbo’ers blijken meer moeite te hebben met de andere lesdidactiek in het hbo, de complexiteit en het abstractieniveau van de leerstof. Ook hebben ze veelal onvoldoende planningsvaardigheden. Met name het keuzedeel Doorstroom Hbo biedt een prachtige kans om aansluittrajecten te borgen, zowel van overheidswege als beleidsmatig bij de instellingen. Dergelijke doorstroomtrajecten kunnen bijdragen aan weerbare en wendbare mbo’ers bij de overstap van mbo naar hbo.

    * Bsa staat voor bindend studieadvies, bepalend aan het einde van het eerste jaar voor doorstroom naar jaar 2.

    Enkele deskundigen

    Dr. Louise Elffers, lector Beroepsonderwijs Hogeschool van Amsterdam en universitair docent Onderwijskunde, Universiteit van Amsterdam
    Dr. Cees Terlouw, emeritus lector Instroommanagement en Aansluiting mbo/havo-hbo Saxion Hogeschool

    Bronnen

     

Drievoudige kwalificering

Al het goede komt in drieën

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 maart 2020

  • Geplaatst: mei 2012
  • Auteur: Hester Smulders
  • Update: maart 2020


    Vakmanschap alleen is niet voldoende. Met een mbo-opleiding moet je ook kunnen meedoen in de maatschappij en, als je dat wilt, een vervolgopleiding kunnen doen. De wet – de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) – schrijft dat voor. Scholen moeten daar dus serieus werk maken van deze ‘drievoudige kwalificering’.

    Sinds 1996 kennen we in Nederland de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). En zo lang ook al bestaat de drievoudige kwalificering. Deelnemers kwalificeren zich voor:

    • Uitoefening van een beroep
    • Deelname aan de maatschappij (burgerschap)
    • Doorstroom naar een hoger onderwijsniveau

    De drievoudige kwalificatie heeft een uitbreiding ondergaan. Sinds 2013 zijn ook generieke eisen als taal en rekenen in het wettelijk kader opgenomen.

    Klik hier voor de letterlijke tekst uit de WEB.


    Drievoudige kwalificering

    De drievoudige kwalificering is tegelijk ook een drievoudige opdracht aan het beroepsonderwijs: de regionale opleidingscentra (roc’s), agrarische opleidingscentra (aoc’s), vakscholen en andere instellingen die mbo-opleidingen aanbieden. Instellingen mogen pas een diploma uitreiken als de deelnemer aan alle eisen voldoet. Dus ook aan de eisen van deelname aan de maatschappij (burgerschap), waarbij ook aandacht is voor persoonlijke ontplooiing en het kunnen doorstromen naar een vervolgopleiding (hoger onderwijsniveau).
    Het middelbaar beroepsonderwijs bedient naast jongeren ook volwassenen en nieuwkomers (Educatie). Voor volwassenen gaat het om opleidingen waarmee zij alsnog hun diploma vmbo, havo of vwo kunnen halen, maar ook om bijvoorbeeld opleidingen sociale redzaamheid of Nederlands. Voor nieuwkomers zijn er speciale opleidingen, zoals NT2 (Nederlands als Tweede Taal). Ook voor deze categorieën deelnemers eist de WEB een meervoudige kwalificatie. Hier gaat het primair om participatie.

    Klik hier voor de letterlijke tekst uit de WEB over Educatie.

    Kwalificeren voor een beroep

    Wat een (aankomend) banketbakker, verpleegster of metaalbewerker moet kennen en kunnen, staat in de kwalificatiedossiers. Alle goedgekeurde dossiers zijn te vinden op de website www.kwalificatiesmbo.nl. Sinds 1 augustus 2016 werkt het mbo met herziene kwalificatiedossiers. De kwalificatiedossiers bestaan uit een basisdeel en een of meer profieldelen. De beroepsspecifieke en generieke onderdelen vormen het basisdeel. De generieke onderdelen betreffen de kwalificatie-eisen van de overheid voor Nederlandse taal, rekenen, Loopbaan en burgerschap en voor mbo-4 Engels. De beroepsspecifieke onderdelen zijn de gemeenschappelijke kerntaken en werkprocessen voor alle beroepen in het betreffende dossier. Het profieldeel bevat kerntaken en werkprocessen waarop de kwalificaties in het kwalificatiedossier van elkaar verschillen.
    In elk kwalificatiedossier staat een verwijzing naar keuzedelen. Keuzedelen vergroten de arbeidsmarktkansen van de mbo-student of vergemakkelijken de doorstroom naar een vervolgstudie. Keuzedelen kunnen gericht zijn op doorstroom, generieke kennis, remediëren (voor Entree), verbreding en verdieping. Ze kunnen een bijdrage leveren aan: flexibiliteit, innovatie, regionale kleuring, maatwerk voor studenten en profilering van een onderwijsinstelling. Dit vormt een plus op het diploma. Tot op heden tellen de examens van de keuzedelen nog niet mee voor het diploma. De minister heeft wel de intentie om keuzedelen voorwaardelijk te maken voor diplomering.

    Op dit moment zijn er ruim 500 kwalificaties en ruim 1000 keuzedelen (zie Beroepskwalificaties: basis van het mbo, geraadpleegd op 08-03-2020 via www.rijksoverheid.nl, . Een profiel is een verbijzondering van een beroep of een kwalificatie. Het betreft dan net wat andere of extra taken en competenties van de beroepsbeoefenaar. Zo kent het kwalificatiedossier Pedagogisch werk de uitstroomprofielen: Pedagogisch medewerker kinderopvang, Gespecialiseerd pedagogisch medewerker en Onderwijsassistent.
    De kwalificatiedossiers worden ontwikkeld en onderhouden door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), waarin onderwijs en bedrijfsleven vertegenwoordigd zijn. De wettelijke taken van SBB zijn:

    • Ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur
    • Zorg voor voldoende en kwalitatief goede leerbedrijven
    • Ontwikkelen van arbeidsmarkt, bpv- en doelmatigheidsinformatie

    In de kwalificatiedossiers ligt vast wat een mbo-student aan het eind van zijn opleiding moet kennen en kunnen. Op basis daarvan ontwikkelen scholen hun onderwijsprogramma’s. Onderwijsteams zijn verantwoordelijk voor curriculumontwikkeling; het curriculum moet aansluiten op de eisen uit de kwalificatiedossiers.

    Kwalificeren voor burgerschap

    Algemene vorming en persoonlijke ontplooiing zijn dragers van een goede maatschappelijke participatie. Richtinggevend voor kwalificatie is het document in de WEB Generieke kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap. Het kwalificatieonderdeel loopbaan en burgerschap bereidt deelnemers voor op het vormgeven van hun eigen loopbaan en op participatie in de maatschappij. De loopbaan- en burgerschapseisen gelden voor iedereen die een mbo-diploma wil halen. Voor deze kwalificatie geldt een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. Instellingen mogen zelf, op basis van het loopbaan- en burgerschapsdocument een inspanning bepalen en vastleggen in hun Onderwijs- en Examen Reglement (OER).

    Klik hier voor het volledige document Generieke kwalificatie-eisen: Loopbaan en burgerschap (geraadpleegd op 08-03-2020 via www.s-bb.nl).

    Voor meer informatie over burgerschap: Kennispunt MBO Burgerschap

    Kwalificeren voor doorstroom

    Deelnemers die hun diploma halen, hebben binnen het mbo toegang tot een opleiding op een hoger niveau. Deelnemers met een mbo 4-diploma kunnen hun studie voortzetten in het hoger onderwijs. Zo’n kleine 40% doet dit. (zie Kans op doorstromen in het mbo, geraadpleegd op 08-03-2020 via www.onderwijsincijfers.nl). Daarbij is er keuze tussen twee typen opleidingen:

    • Associate degree (2-jarig).
    • Hbo-bachelor (4-jarig).

    Na het behalen van een Associate degree (Ad) is doorstroming naar een bacheloropleiding mogelijk.
    Studenten met een mbo-4 diploma hebben recht om in te stromen in zowel hbo-bachelors als de Associate degree-opleidingen. Voor sommige hbo-opleidingen gelden wel vooropleidingseisen. Dit betekent dat de mbo-student met een diploma uit het ene opleidingendomein, niet automatisch toelatingsrecht heeft tot een opleiding in een ander opleidingsdomein.

    Taal en rekenen

    De drievoudige kwalificatie heeft  een uitbreiding ondergaan. Deelnemers moeten ook voldoen aan eisen op het vlak van Nederlandse taal, voor rekenen is dit nog niet verplicht. Sinds het schooljaar 2013-2014 zijn er landelijke examens voor taal- en rekenvaardigheden. De extra eisen op het vlak van rekenen en Nederlandse taal zijn basisvaardigheden die nodig zijn voor de vertrouwde drie functies. Daarnaast zijn voor de middenkader en specialisten opleiding (niveau 4) exameneisen omschreven voor het vak Engels.

    Ga voor meer informatie over de reken- en taaleisen naar wet- en regelgeving van overheid.nl.


    Enkele deskundigen

    Bronnen

     

Sectoren, leerwegen en niveaus

Rondgang door een complex ‘leerhuis’

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 maart 2020

  • Geplaatst: maart 2015
  • Auteur: Barbara Wijering-van Wijk & Anneke Westerhuis, Expertisecentrum Beroepsonderwijs
  • Update: maart 2020


    Je kunt er leren voor autotechnicus, maar ook voor hippisch ondernemer, verkoopmedewerker, ict-beheerder of banketbakker. Van acteur tot zorghulp; het mbo kent duizend-en-één opleidingen, verdeeld over vier sectoren, twee leerwegen en vier niveaus. Hoe steekt het precies in elkaar? Een compacte rondgang door de vertrekken, gangen en verdiepingen van dit veelomvattende bouwwerk van het mbo: een ‘leerhuis’ voor ongeveer een half miljoen mbo-studenten.

    Met de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) heeft het mbo in 1996 zijn huidige vorm gekregen. Door het samen voegen van veel naar niveau, leerweg en beroepsrichting variërende opleidingen kan in het mbo onderwijs op maat geven worden; op de wensen en mogelijkheden van uiteenlopende groepen studenten toegesneden. Roc’s, regionale opleidingencentra, zouden daarvoor moeten zorgen; alle keuzemogelijkheden in elke regio onder één dak verenigen. Maar hoewel roc’s het gezicht van het mbo bepalen met 90% van de mbo-studenten, zijn ze niet het enige schooltype in het mbo. Er zijn ook vakscholen, bijvoorbeeld in de grafische sector, de creatief-technische sector en de hout- en meubelbranche. En de ‘groene’ sector heeft eveneens een eigen schooltype met bijvoorbeeld opleidingen voor tuinarchitectuur, dierhouderij en de land- en tuinbouw; de agrarische opleidingscentra (aoc’s). Met de particuliere aanbieders van mbo-opleidingen is het beeld compleet. Ook particuliere instellingen als NCOI, mogen op voorwaarde van wettelijke erkenning, mbo-diploma’s uitgeven.

    Al met al kent het mbo een zeer groot aantal opleidingen. Tot 2011 waren ze verdeeld over vier sectoren: Techniek, Economie & handel, Zorg & welzijn en Landbouw. Vanaf dat jaar kunnen studenten ook sectordoorsnijdende, zogenoemde cross-over opleidingen volgen. Dit zijn opleidingen op het snijvlak van twee of meer sectoren. Met cross-overs kan het mbo beter inspelen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt die zich niet houden aan sectorale grenzen. Dat kan sinds 2016 ook met de invoering van keuzedelen. Met keuzedelen kan de student zich in zijn programma in specifieke beroepsonderdelen verdiepen of juist zijn kennis en vaardigheden verbreden, in relatie tot de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

    Mbo-opleidingen worden in twee ‘leerwegen’ aangeboden: in de ene leerweg leer je vooral in het bedrijf (beroepsbegeleidende leerweg, afgekort tot bbl), in de andere vooral op school (beroepsopleidende leerweg, kortweg bol). Een mbo-student kan vaak, maar lang niet altijd, zelf kiezen in welke leerweg hij een opleiding wil volgen. Tot slot zijn opleidingen ingedeeld in vier niveaus, variërend van entree-opleidingen (niveau 1) tot middenkaderopleidingen (niveau 4).

    Vier sectoren

    Drie mbo-sectoren trekken een ongeveer even groot aandeel studenten. De sector Zorg & welzijn is het grootst met een aandeel van 33%, op de voet gevolgd door Economie & handel (32%), en op enige afstand Techniek (27%). Het aandeel van de groene sector is aanmerkelijk kleiner (5%). Een klein, maar groeiend aantal studenten volgt cross-over opleidingen die niet onder een specifieke sector vallen (3%).

    In elke sector zijn mbo-opleidingen ingedeeld in domeinen van verwante opleidingen. Aanvankelijk moeten studenten meteen voor een specifieke opleiding kiezen, wat lang niet altijd lukte. Met de domeinindeling kunnen ze starten met de gemeenschappelijke onderdelen van het domein en toewerken naar een keuze voor een bepaalde richting. Maar als een student al weet wat hij wil, is het ook mogelijk om meteen voor een specifieke richting te kiezen. Er zijn zestien domeinen, bijvoorbeeld Bouw & infrastructuur, Mobiliteit & voertuigen, Handel & ondernemerschap, Orde & veiligheid, Horeca & bakkerij, Zorg & gezondheidszorg.

    Twee leerwegen

    In het mbo kunnen studenten kiezen uit twee leerwegen: de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en de beroepsopleidende leerweg (bol). Volgens de wet zijn ze gelijkwaardig: beide leerwegen leiden op tot hetzelfde diploma. Bij het maken van een keuze tussen de beide opties speelt een aantal factoren mee:
    1.    De leerstijl van de student. Studenten die graag naar school gaan kiezen voor de bol. In deze leerweg gaat een student 3 of 4 dagen naar school (60-80% van de tijd) en loopt hij gemiddeld 1 of 2 dagen (40-20% van de tijd) stage in de beroepspraktijk van een erkend leerbedrijf. Wie liever wil werken en in de praktijk wil leren, kiest voor de bbl. In de bbl gaat een student 1 of 2 dagen naar school en werkt en leert 3 of 4 dagen in de praktijk van een erkend leerbedrijf.
    2.    Leerwerkcontract met een leerbedrijf. Studenten die de bbl willen volgen moeten met hun bedrijf een leerwerkcontract sluiten. Daarin staat onder meer dat het bedrijf de student/werknemer begeleidt en betaalt. Voor bol-studenten geldt een andere regeling; zij ontvangen geen loon, hooguit een stagevergoeding. Daar staat tegenover dat ze vanaf hun 18e in aanmerking komen voor studiefinanciering en recht hebben op een ov-studentenkaart.
    3.    Het opleidingsaanbod. Het staat onderwijsinstellingen vrij om opleidingen al dan niet in beide leerwegen aan te bieden. Soms is die keuze er, soms ook niet. Dan wordt een opleiding óf alleen in de bol, óf alleen in de bbl aangeboden.

    De meeste mbo-studenten volgen hun opleiding in de bol. In de loop der jaren is het aantal studenten in de voltijdleerweg gegroeid, vooral door de toename van de instroom op niveau 4, waar traditioneel weinig opleidingen in de bbl worden aangeboden. Volgde in schooljaar 2011/2012 nog 31% van alle mbo-studenten hun opleiding in de bbl, in 2018/2019 is dat aandeel geslonken tot 24%. Dat wil zeggen dat in dat jaar van alle mbo-studenten 76% in de voltijd leerweg zit.

    De verhouding tussen de deelname aan de beide leerwegen is nog schever als we kijken naar de leerwegkeuze van leerlingen die direct van het vmbo naar het mbo gaan (11 om 89%). De verklaring voor het verschil is dat de bbl ook veel oudere deelnemers trekt die alsnog een diploma willen halen. In de bbl vinden we veel volwassenen die de leerweg gebruiken om alsnog een startkwalificatie (minimaal niveau 2) of een hogere kwalificatie te halen.

    Vier niveaus

    Karakteristiek voor het mbo zijn de vier niveaus waarop je een opleiding kunt volgen. Opleidingen op het eerste niveau heten entreeopleidingen. Daarnaast heb je opleidingen op niveau 2, 3 en 4. Niveau 4 het hoogste niveau. Een opleiding op niveau 1 duurt één jaar, op niveau 2 twee jaar en op niveau 3 en 4 drie jaar. Een aantal mbo 4-opleidingen mogen vier jaar duren omdat dat ‘door de aard van de opleiding noodzakelijk is’. Mbo-scholen kunnen daarover niet zelf beslissen; de minister van OCW stelt de opleidingen vast waarvoor dat geldt.

    Het hoogste mbo-niveau is ook het meest populaire; dat was het en is het nog steeds. Sterker, mbo niveau-4 trekt een steeds groter aandeel studenten; inmiddels bijna de helft van de totale instroom (48%). Daar staat de daling van de instroom op niveau 2 tegenover. Deze is in tien jaar gedaald van een derde tot een kwart van de totale mbo-instroom, 6% van de mbo-instroom  gaat naar een entreeopleiding.
    Toelating tot het mbo is gebonden aan regels. Studenten zonder diploma kunnen bijvoorbeeld alleen naar een entreeopleiding. De vooropleidingseisen voor de andere niveaus komen er grofweg op neer dat iemand met een diploma van  een van de vmbo-leerwegen op niveau 2 kan beginnen, maar dat opleidingen op niveau 3 en 4 alleen toegankelijk zijn met een diploma van de kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerweg van het vmbo. Oftewel; vmbo-leerlingen met een diploma van de basisberoepsgerichte leerweg kunnen terecht op niveau 2. De, weinig gevolgde specialistenopleidingen op niveau 4 zijn alleen toegankelijk met een mbo-diploma op niveau 3 voor hetzelfde beroep of dezelfde richting. Soms worden aanvullende eisen aan het vakkenpakket gesteld.

    Veel studenten stoppen niet na één opleiding maar leren door op een hoger mbo-niveau. Met een diploma op niveau 1 kun je doorleren op niveau 2, met niveau 2 op niveau 3 of 4, met niveau 3 kun je naar de (specialisten)opleiding op niveau 4 en met een diploma op niveau 4 naar het hbo. Vooral de overstap van niveau 2 naar niveau 3 is populair.

    Bronnen

     

Zorgen voor ‘werkzame’ opleidingen

Arbeidsmarktintrede van mbo-gediplomeerden

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 november 2019

  • Geplaatst: september 2016
  • Auteur: Christoph Meng, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA)
  • Update: november 2019


    Jaarlijks krijgen zo’n 150.000 mbo-studenten een diploma uitgereikt. Maar biedt dat diploma ook voldoende kans op werk? Dat is maar de vraag. Daarom staat de ‘arbeidsmarktrelevantie’ van mbo-opleidingen al een tijdje hoog op de politieke agenda. Scholen hebben wat dit betreft al een (wettelijk verankerde) zorgplicht. Maar hoe verloopt de arbeidsmarktintrede van de gediplomeerde mbo’ers?

    Na het behalen van hun diploma staan schoolverlaters van het mbo voor een belangrijke keuze: de arbeidsmarkt op óf verder leren. Op een hoger mbo-niveau of het hbo. Wat ze doen, is vrij nauwkeurig bekend. Want elk jaar doet het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) daar onderzoek naar. In het onderzoek Schoolverlaters tussen Onderwijs en Arbeidsmarkt (de BVE-monitor) worden gediplomeerden anderhalf jaar na het behalen van het diploma bevraagd.

    Qua keuze blijken er flinke verschillen te bestaan tussen de beide leerwegen van het mbo. Van de gediplomeerden van de beroepsopleidende leerweg (bol) biedt na anderhalf jaar iets meer dan de helft zich aan op de arbeidsmarkt. Onder gediplomeerden van niveau 1 is dit percentage het laagst (45% in 2018) en onder gediplomeerden van niveau 3 het hoogst (69% in 2018). Heel anders ligt het bij de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Van de bbl-gediplomeerden biedt meer dan 90% zich aan op de arbeidsmarkt. Tussen de vier onderwijsniveaus doen zich hier geen grote verschillen voor. Inbegrepen in het percentage zijn overigens ook jongeren die een vervolgopleiding in het mbo-bbl starten. Ook zij worden gezien als aanbieder op de arbeidsmarkt.

    Zorgplicht arbeidsmarktperspectief

    Voor een substantieel aantal studenten is het mbo eindonderwijs. Dat betekent dat scholen een goede voorbereiding moeten bieden op de beroepspraktijk. Vier indicatoren kunnen daarbij een goed beeld bieden:
    1.    de voorbereiding op de arbeidsmarkt;
    2.    de kans op werk;
    3.    de kans op werk in een beroependomein dat in het verlengde van de opleidingsrichting ligt;
    4.    de vraag of de gediplomeerden spijt hebben van de gevolgde opleiding.

    Hoe scoren mbo-opleidingen op dit moment op deze vier domeinen? We inventariseren dat aan de hand van de BVE-monitor (Huigen, Meng, & Peters, 2019) en andere onderzoeksgegevens.

    Voorbereiding op de arbeidsloopbaan

    Beroepsopleidingen in het mbo dienen studenten rechtstreeks voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Anders gezegd: hen startbekwaam te maken. We noemen dat de kortetermijndoelstelling van het onderwijs. Daarnaast moeten opleidingen een basis bieden om kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen, in het vervolg van de (onderwijs-)carrière: de langetermijnvoorbereiding.
    Over beide aspecten zijn gediplomeerden achteraf in 2018 relatief tevreden, zo blijkt uit de BVE-Monitor. 62% is van mening dat de gevolgde opleiding een (heel) goede basis biedt om kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen en 56% vindt dat de gevolgde opleiding een goede basis biedt om te starten op de arbeidsmarkt. Wel is wat de tweede aspect betreft nogal een verschil zichtbaar tussen de bbl- gediplomeerden en de bol-gediplomeerden. Onder de bbl-gediplomeerden is 68% van mening dat de opleiding een (heel) goede basis bood terwijl dit onder de bol-gediplomeerden 52% is. Het aandeel gediplomeerden dat van mening is dat de opleiding (helemaal) geen goede basis bood om te starten op de arbeidsmarkt is onder de bol-gediplomeerden met 15% en onder de bbl-gediplomeerden 6%.

    Cijfermatig overzicht van het oordeel van gediplomeerden over de voorbereiding op de arbeidsloopbaan.

    Starten op de arbeidsmarkt

     

    Verder ontwikkelen kennis en vaardigheden
    (Helemaal) geen goede basis(Heel) goede basis(Helemaal) geen goede basis(Heel) goede basis
    Mbo totaal1356962
    Mbo-bol15521060
    Mbo-bbl668768

    Bron: ROA (SIS), 2015.

    Kans op werk

    Er zijn verschillende indicatoren die aangeven hoe soepel de overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt verloopt. Voor de hand ligt om te kijken naar het werkloosheidsniveau onder schoolverlaters die zich aanbieden op de arbeidsmarkt. De kans op werk is daarbij sterk afhankelijk van:
    •    De conjunctuur
    •    De gevolgde leerweg
    •    Het niveau van de gevolgde opleiding
    •    De sector van de opleiding

    De conjunctuur
    Terwijl de werkloosheid als gevolg van de economische crisis in de periode 2011 tot en met 2014 opliep tot 9.5%, zien we in de afgelopen 4 jaren een duidelijke verbetering. In 2018 is de werkloosheid anderhalf jaar na behalen van het diploma met 3.2% nog slechts een derde van de werkloosheid in 2014.

    Werkloosheid onder mbo-gediplomeerden, 1,5 jaar na behalen van diploma (%)

    2014

     

    2015201620172018
    Mbo totaal9.57.65.03.93.2
    Mbo-bol12.811.06.95.24.4
    Mbo-bbl6.24.02.01.71.2

    Bron: ROA (SIS), 2014-2018.

    De rol van de leerweg
    De kans op werk is afhankelijk van de conjunctuur. Maar ook de gevolgde leerweg legt gewicht in de schaal. Er blijkt een structureel verschil te bestaan tussen de gediplomeerden van mbo-bol en die van mbo-bbl. Voor beide typen gediplomeerden neemt de werkloosheid weliswaar in de afgelopen jaren duidelijk af, maar met werkloosheidscijfers van 2% en lager is de werkloosheid onder mbo-bbl gediplomeerden uiterst laag en zelfs duidelijk onder het algemene werkloosheidspercentage in Nederland. De werkloosheid onder de gediplomeerden van mbo-bol is met 4-5% in de afgelopen 2 jaren weliswaar eveneens relatief laag, maar nog steeds 3-4 keer zo hoog als onder de mbo-bbl gediplomeerden.

    Mbo-bol niveau 1 en 2 in zwaar weer
    Van alle gediplomeerden ondervinden die van mbo-bol niveau 1 de grootste problemen op de arbeidsmarkt. Structureel lag het werkloosheidspercentage al voorafgaand aan de meest recente economische crisis boven de 10%. Tijdens de economische crisis is deze zelfs tot (duidelijk) boven de 25% gestegen. Maar ook in 2018 ligt het werkloosheidspercentage met 20% nog steeds heel hoog. Niveau 1 is geen officieel startniveau, dat speelt mee. Maar ook gediplomeerden mbo-bol niveau 2, jongeren met wél een arbeidsmarktkwalificatie dus, maken een moeizame start. Sinds 2000 piekt het werkloosheidspercentage regelmatig naar 10% of, zoals in de recente economische crisis zelfs naar bijna 20%. In 2018 ligt het werkloosheidspercentage bij 12%.Zorg en techniek als veilige havens
    Mbo-opleidingen in de sectoren Gezondheidszorg en Techniek kennen in de regel de laagste werkloosheidspercentages. Dit geldt vooral voor de opleidingen op niveau 3 en 4. Maar ook hier laat het verschil tussen bol- en bbl-leerweg zich voelen. De kans op werkloosheid voor gediplomeerden van bbl niveau 3 of 4 techniek is (bijna) letterlijk nihil in 2018. Maar onder gediplomeerden mbo-bol niveau 3 bedraagt deze nog 4.8% en op niveau 4 nog steeds 2.7%

    Aansluiting tussen opleiding en werk

    Werk hebben, zegt nog niet alles. Het gaat natuurlijk ook om de kwaliteit van dat werk. Dat wil zeggen: de mate waarin dit aansluit, zowel wat richting als wat niveau betreft, bij de gevolgde opleiding. Immers, je mag aannemen dat de opgedane kennis en vaardigheden dan beter tot hun recht komen. In de BVE-Monitor proberen we die aansluiting in kaart te brengen. We kijken in hoeverre er sprake is van passend werk. Of er gewerkt wordt in de eigen/verwante richting en ook of dat het geval is op minimaal het eigen opleidingsniveau.
    Dat levert vier groepen van gediplomeerden op:
    •    Passend werk qua niveau en richting
    •    Passend werk qua niveau, maar niet qua richting
    •    Passend werk qua richting, maar niet qua niveau
    •    Geen passend werk, niet qua richting noch qua niveau

    Wat blijkt? 6 op de 10 werkzame gediplomeerden hebben anderhalf jaar na het behalen van het diploma een functie die qua niveau en qua richting bij de gevolgde opleiding past. Nog eens 17% werkt weliswaar in een functie die qua niveau bij de gevolgde opleiding past maar niet qua richting. Vaak betreft het functies waarvoor niet direct een specifieke opleiding vereist is, maar waar generieke vaardigheden een belangrijke rol spelen. Aan de andere kant zien we dat ook in economisch goede tijden (2018) nog steeds 19% van de bol-gediplomeerden werkzaam is in een functie nog qua richting nog qua niveau aansluit bij hun behaalde diploma.

    Aansluiting opleiding-werk qua richting en niveau (%)

    Passend werk: qua niveau en richtingPassend werk: qua niveau maar niet qua richtingPassend werk: qua richting maar niet qua niveauGeen passend werk: niet qua richting noch qua niveau
    Mbo totaal6017716
    Mbo-bol5718519
    Mbo-bbl6416911

    Bron: ROA (SIS), 2018.

    Spijt van de studiekeuze

    Hoe kijken mbo-gediplomeerden, alles voor zichzelf samenvattend, nu terug op de gevolgde opleiding? Zouden ze opnieuw voor dezelfde opleiding kiezen? Dat is natuurlijk de cruciale vraag in dit verband. En dan blijkt dat mbo-gediplomeerden over het algemeen tevreden zijn met hun eerder gemaakte studiekeuze 78% zou opnieuw dezelfde opleiding volgen, 19% zou voor een andere opleiding kiezen. Niet verrassend ligt dat laatste percentage onder de werkloze mbo’ers aanzienlijk hoger: van hen zou achteraf bezien namelijk zo’n 41% een andere opleiding kiezen.

    Achteraf bezien dezelfde opleiding volgen (%) 

    Ja, dezelfde opleidingNee, andere opleiding
    Mbo totaal7822
    Mbo-bol7624
    Mbo-bbl8416

    Bron: ROA (SIS), 2015

    Enkele deskundigen

    Christoph Meng, senior-onderzoeker Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

    Bronnen

     

     

Beroepsonderwijs in Europees perspectief

’s Lands (onder)wijs, ’s lands eer

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 juli 2019

  • Geplaatst: mei 2012
  • Auteur: Sjoerd Karsten, emeritus hoogleraar Bestuur en beleid van beroepsonderwijs, Universiteit van Amsterdam & Marc van der Meer, bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt, Tilburg University
  • Update: juli 2019
  • Update door: Anneke Westerhuis, managing onderzoeker, Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO)


    Vakmensen kun je overal ter wereld herkennen. Maar de manier waarop je vakman wordt, verschilt zo ongeveer per land. Beroepsonderwijs heeft een sterk nationale inslag. Het heeft in elk land een eigen geschiedenis, wetten en organisatievormen. Soms, zoals in Nederland, is het sterk beroepsgericht. Van meet af aan eigenlijk. Andere beroepsonderwijsstelsels zijn in eerste aanleg algemener, met in een latere fase een beroepsgerichte specialisatie. Een blik over de grenzen: beroepsonderwijs in internationaal perspectief.

    Wie iets zinnigs wil zeggen over het (beroeps)onderwijs in verschillende landen, ontkomt niet aan enige classificering. Een eerste kapstok is die van Van de Werfhorst en Mijs (2007). Zij typeren onderwijsstelsels aan de hand van vier dimensies:

    1. Stratificatie: de hoeveelheid stromen of studierichtingen in het secundair onderwijs. Sommige landen onderscheiden weinig stromen (bijvoorbeeld de Scandinavische landen), andere landen juist veel (bijvoorbeeld Duitsland). Ook van belang is het moment waarop leerlingen worden geselecteerd voor de verschillende stromen. Nederland kent een relatief vroege selectie (early tracking), een regelmatig door de OECD, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, bekritiseerd feit.
    2. Standaardisatie: de mate van nationale uniformering van onderwijsprogramma’s, examens, toedeling van budgetten, certificering van leraren enzovoort. Binnen Europa is over het algemeen een redelijk grote mate van standaardisatie in het onderwijs. In de Verenigde Staten daarentegen maar heel weinig. Standaardisatie verhoogt over het algemeen de transparantie voor het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt.
    3. Beroepsgerichtheid: de omvang (aantallen leerlingen) en inrichting (beroepspecifieke opleidingen). Een belangrijk aspect is de mate van dualiteit: de combinatie van school en werken. Het Duitse onderwijs met zijn uitgebreide leerlingwezen is een voorbeeld van een stelsel met een sterk duaal karakter.
    4. Mobiliteit tussen stromen: de mogelijkheid om over te stappen van de ene stroom naar de andere, of om via meer of minder omwegen het hele scala aan eindopleidingen te kunnen bereiken. Sommige auteurs classificeren stelsels dan ook wel aan de hand van het aantal keuzemogelijkheden (Kerckhoff, 2001).

    Groepen onderwijssystemen

    Op basis van deze dimensies zijn de meeste onderwijssystemen in Europa wel in te delen. Nederland valt met de Duitstalige landen, België en Luxemburg in de groep die zich onderscheidt naar een sterke stratificatie door vroege selectie en een grote mate van beroepsgerichtheid. De andere twee groepen kenmerken zich door een latere selectie en een minder sterke beroepsgerichtheid. Klik hier voor een schematisch overzicht van de drie groepen van onderwijsstelsels, dat is gebaseerd op Herweijer (2008).

    Beroepsonderwijs en arbeidsmarkt

    Deze indeling van onderwijsstelsels geeft inzicht in de relaties tussen beroepsonderwijs en het hele stelsel. Maar het karakter van het beroepsonderwijs zelf is daarmee nog niet duidelijk. Deze verfijning leveren Hannan, Raffe en Smith (1996). Zij onderscheiden drie types beroepsonderwijs:

    1. Aanbodgebaseerd
    2. Werkgebaseerd
    3. Gemengd

    Aanbodgebaseerde systemen kenmerken zich door hun positie in het hele stelsel: de onderwijsdiploma’s zijn de basis voor de toegang tot de arbeidsmarkt. Frankrijk is een voorbeeld van dit type. In Frankrijk staat het algemeen onderwijs in hoger aanzien dan beroepsonderwijs, en verloopt de doorgangsroute naar goede functies in het bedrijfsleven vooral via prestigieuze nationale scholen, waar veel wiskunde en filosofie wordt gedoceerd (Maurice & Sylvester, 1986). Beroepsonderwijs heeft een lagere status, maar kent wel veel verschillende programma’s op diverse niveaus met eigen eindtermen en die allemaal onder staatstoezicht staan.

    Werkgebaseerde stelsels gaan uit van de vereisten van de arbeidsmarkt en leggen de verantwoordelijkheid voor beroepsvorming grotendeels bij de werkgevers. Het Duitse beroepsonderwijs is een voorbeeld van dit type. In het duale systeem waaraan ongeveer driekwart van de leerlingen deelneemt, benoemen de organisaties van werkgevers en werknemers de eindtermen. Daardoor én omdat het toegang geeft tot een beroepscarrière staat beroepsonderwijs in dat land in hoog maatschappelijk aanzien. De deelstaten organiseren daarnaast voltijds beroepsonderwijs voor een kwart van de leerlingen.

    Gemengde stelsels zijn een combinatie van beide benaderingen. Daar is Engeland een voorbeeld van. Scholen bieden nu eens algemeen dan weer meer beroepsvormend onderwijs aan. Ook zijn er heel gespecialiseerde private aanbieders van beroepsonderwijs. De kwaliteit van het aanbod verschilt sterk. Sommige vakgebieden kennen opleidingen, elders is sprake van ernstige onderkwalificatie. Het gevolg is dat relatief veel schoolverlaters laaggekwalificeerd de arbeidsmarkt betreden (Crouch, Finegold & Sako, 2001).

    Het woord ‘stelsel’ impliceert een zekere samenhang tussen opleidingen en aanbieders. Maar die is er niet altijd. Soms is het beroepsonderwijs niet meer dan een lappendeken van instituties. Als die samenhang er wel is, is die vaak terug te voeren op de rol van de overheid en de nationale staatstraditie. En daarmee op de aard van de arbeidsverhoudingen en de arbeidswetgeving. En die verschillen per land. De arbeidswetgeving in het Verenigd Koninkrijk is op het bevorderen van marktwerking gericht. In Frankrijk, en landen als Spanje of Portugal, stuurt de overheid de samenleving. In Duitsland, en ook Oostenrijk of Zwitserland, is de arbeidswetgeving vooral de gedeelde verantwoordelijkheid van de sociale partners (Visser & Van der Meer, 2007).

    Er is dus een sterke samenhang tussen het onderwijsmodel en het arbeidsmarktmodel (Marsden, 1999; Visser & Van der Meer, 2007). Vakmanschap wordt niet altijd op school ontwikkeld. In landen zonder duurzame samenwerkingsrelaties tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven doen leerlingen pas werkervaringen op als ze van school komen en moeten jongeren hun vaardigheden in de werkomgeving ontwikkelen. Dat leidt er vaak toe dat ze op de werkvloer smalle bedrijfsspecifieke vaardigheden ontwikkelen, die lang niet altijd elders te gebruiken zijn. In landen met brede beroepsopleidingen en verbindingen van scholen met bedrijven, kunnen leerlingen op school beroepspecifieke vaardigheden opdoen, om die op de arbeidsmarkt verder te ontwikkelen.

    Drie modellen van beroepsonderwijs

    Als we alles bij elkaar optellen, komen we tot drie modellen van beroepsonderwijs (Greinert, 2005):

    1. Marktmodel

    • De opleidingsmarkt wordt amper gereguleerd door de overheid; er zijn publieke en private aanbieders.
    • De gevraagde en geleverde competenties zijn sterk beroeps- of zelfs bedrijfsspecifiek.
    • Er is weinig standaardisatie in de vorm van landelijke diploma’s: schoolgebaseerde opleidingen staan naast bedrijfsopleidingen en examens en certificaten kunnen door veel partijen worden uitgegeven.
    • De overheidsbijdrage in de onderwijsfinanciering varieert.

    2. Schoolgebaseerd model

    • De overheid definieert de opleidingsniveaus en speelt een bemiddelde rol tussen het bepalen van de  opleidingsbehoeften en de vormgeving van het opleidingsaanbod.
    • De in het beroepsonderwijs te ontwikkelen competenties zijn meer generiek dan beroepspecifiek.
    • Opleidingswegen zijn gereguleerd in formele kwalificaties en in toelatingseisen die aan het algemeen vormend onderwijs zijn ontleend.
    • Het aanbod van publiek bekostigde instellingen is groot en meestal is er sprake van een hiërarchie (hoog-laag) in de opleidingen.
    • Met veranderingen in het niveau van de kwalificatievereisten is er ook sprake van voortdurende aanpassing van de opleidingen in opwaartse richting.

    3. Duaal model

    • Het beroepsonderwijs is een vrij autonoom subsysteem, dat grotendeels naast het algemeen vormend onderwijs staat, met een eigen organisatorische structuur en wettelijke basis. Naast het publieke systeem staat meestal ook een vrij omvangrijke private opleidingssector.
    • De regulering van de opleidingsvereisten krijgt vorm in een complex en evoluerend systeem van consultatie tussen overheid, instellingen en sociale partners.
    • De gevraagde competenties worden in sterke mate bepaald door werkgevers, brancheorganisaties en productenverenigingen.
    • Werkgevers dragen bij aan de bekostiging van de opleidingen in ruil voor belastingvoordelen van de staat.
    • Beroepsopleidingen hebben een duaal karakter (leren op de werkplek) en hebben veelal hun wortels in het traditionele leerlingwezen.

    In deze drie modellen zijn de dominante benaderingen van beroepsonderwijs in Europa samen te vatten. Hoewel niet in ‘zuivere’ zin. Het Nederlandse initiële beroepsonderwijs heeft veel overeenkomsten met het derde model, maar ook trekken van het tweede. En als de bekostiging van het volwassenenonderwijs nog meer aan het private initiatief wordt over gelaten, krijgt het postinitiële deel sterkere kenmerken van het marktmodel. De OECD toont zich in Learning for jobs (2010) pleitbezorger van een gemengd stelsel. Omdat een gemengd model de nadelen van een marktmodel (onvoldoende opleidingsplekken, conjuncturele schommelingen) en van een schoolgebaseerde model (onvoldoende aanpassing aan de dynamiek in het werkveld) ondervangt.
    Wie betaalt het beroepsonderwijs? Ook daarin verschillen stelsels. In Nederland speelt de overheid een centrale rol. Heel anders dan in Duitsland waar het bedrijfsleven het voortouw neemt. Daar is het systeem afhankelijk van de bereidheid van bedrijven om te investeren in het opleiden van leerlingen, of beter: leerling-werknemers. Dit is duur en in tijden van economische recessie zal de bereidheid dan ook afnemen. Gevolg is dat het Duitse systeem kwetsbaarder is voor economische cycli dan het Nederlandse (Euler, 2013).
    De verschillen tussen de modellen werken ook door in de strategieën om schooluitval tegen te gaan. In een marktmodel zal de overheid al snel neigen tot het versterken van de financiële prikkels voor de marktpartijen; de potentiële werknemers en werkgevers. In een schoolgebaseerd model is de drang groot om oplossingen te zoeken in schoolse voorzieningen en het versterken van de leerplicht. Het vinden van veel leerwerkplaatsen, om het onderwijs zo praktisch mogelijk te maken, is de belangrijkste strategie van het duale model.

    De Europese dimensie van beroepsonderwijs

    Verschillen tussen nationale beroepsonderwijsstelsels zijn dus aanzienlijk. Maar, ook al omdat het gevoelig ligt, is er in de Europese Unie een bescheiden streven tot standaardisering. Bijvoorbeeld door het introduceren van een gemeenschappelijk kwalificatieraamwerk, het European Qualifications Framework (EQF), waaraan nationale stelsels zich kunnen meten. De ontwikkeling was geen gemakkelijke opgave, alleen al gezien de inhoudelijke en niveauverschillen tussen de stelsels. Maar wél van belang, bijvoorbeeld om internationale diploma’s te kunnen waarderen, die de mobiliteit van werknemers in Europa kan bevorderen. De vergelijkbaarheid van onderwijsniveaus helpt werkgevers om studenten en werknemers uit andere landen te beoordelen en in te delen in de eigen werkorganisatie. De Nederlandse editie, waarin de officiële diploma’s en certificaten van particuliere aanbieders zijn opgenomen, staat bekend als het  NLQF.
    Ook op andere terreinen wordt grensoverschrijdend denken over het beroepsonderwijs gestimuleerd. Al ruim 40 jaar heeft de Europese Unie een eigen onderzoeksinstituut voor de ontwikkeling van beroepsopleiding  (Cedefop) in Thessaloníki. Cedefop brengt diverse studies uit, onder meer in het kader van het ReferNet-netwerk, dat actuele ontwikkelingen in de Europese lidstaten in kaart brengt en toegankelijk maakt.
    In sociaal-economische politiek in de Europese Unie is, onder de noemer van ‘smart growth’, veel aandacht voor de kwaliteit van het beroepsonderwijs en de betekenis van een leven lang leren. Veranderingen op de arbeidsmarkt dwingen daartoe, evenals veranderingen in de beroepenstructuur van landen. Denk aan de opkomst van de diensteneconomie, robotisering en de teruggang van de industriële werkgelegenheid. De Europese Commissie heeft daartoe een strategie ontwikkeld: New skills new jobs! Met de komst van de commissie onder leiding van Claude Junker is in 2016 de new Skills Agenda for Europe geïntroduceerd. De plannen van de commissie, die vanaf 2019 onder leiding staat van Ursula Von der Leyen, zijn nog niet bekend.
    Ook bij de OECD staat Vocational Education and Training (VET), de internationale term voor beroepsonderwijs, op de agenda. Analyses van deze organisatie bevestigen het beeld van de grote verschillen tussen landen. Ook laat deze organisatie zien hoe sommige landen werken aan nationale uniformering en kwaliteitsverhoging. Korea en Zwitserland, bijvoorbeeld. Ook andere landen blijven, al dan niet geïnspireerd door OECD-studies, streven naar verdere verbetering van hun beroepsonderwijs. Zelfs Finland.
    Met enige regelmaat onderzoekt de OECD het basisniveau van 15-jarige leerlingen (PISA: Programme for International Student assessment) en van volwassenen (PIAAC: Programme for the International Assessment of Adult Competencies) en evalueert jaarlijks het rendement van onderwijsstelsels in het rapport Education at a glance. Verder onderzoekt de OECD hoe jongeren zich scholen voor de arbeidsmarkt, zoals in Learning for jobs en Jobs for youth. In 2013 is op dit thema een strategie gelanceerd die beoogt de kwaliteit van het vakinhoudelijk onderwijs te bevorderen: The OECD skills’ strategy. In het meest recente tussenrapport over Nederland, uit 2017, wordt opgemerkt dat de kwaliteit van het Nederlandse beroepsonderwijs heel hoog is maar dat verdere verbetering mogelijk en nodig is. Dat vraagt echter inzet op terreinen waarop de overheid zelf weinig invloed heeft. Bedrijven, sociale partners en onderwijsaanbieders zouden gezamenlijk een visie op het beroepsonderwijs moeten ontwikkelen; een gedeeld beeld van het beroepsonderwijs van de toekomst.

    Verder lezen

    Cedefop geeft vele van publicaties uit. Ook landenstudies en -vergelijkingen. Het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) in Maastricht publiceert met regelmaat comparatieve analyses over het onderwijsstelsel, terwijl het Amsterdam Centre for Inequality Studies veel bijdragen publiceert over de (internationale) relatie tussen onderwijs en maatschappelijke ongelijkheid.

    Gespecialiseerde instituten voor het beroepsonderwijs in andere landen zijn het BIBB in Duitsland, Céreq in Frankrijk, Isfol in Italië en SVIVET in Zwitserland. Nederlandstalige informatie is te vinden in:
    Visser K., Westerhuis, A. & Hövels, B. (2010). De positie van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in het buitenland. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Westerhuis, A. m.m.v. Groeneveld, M.-J. & Smulders, H. (2017). Opleidingen voor Vakmanschap in Nederland, Duitsland en Frankrijk. ’s-Hertogenbosch: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.

    Enkele deskundigen

    Drs. Anneke Westerhuis, managing onderzoeker Expertisecentrum Beroeponderwijs
    Ir. Hester Smulders, senior onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs

    Bronnen

Transitie van vmbo naar mbo

Zonder struikelen over de hobbel

Canon bo onderwijsstelsel wetgeving en beleid

27 januari 2014

  • Geplaatst: januari 2014
  • Auteur: Louise Elffers, Hogeschool van Amsterdam


    Jaarlijks maken een kleine 100.000 leerlingen de overstap van het vmbo naar het mbo (Min. OCW, 2013). Die overstap is lang niet makkelijk: veel leerlingen struikelen bij de transitie van vmbo naar mbo (Elffers, 2011). Waarom is de overgang van vmbo naar mbo zo lastig voor veel leerlingen? En welke mogelijkheden zijn er om de overgang soepeler te laten verlopen?

    Een transitie van de ene school(soort) naar de andere is altijd lastig (Alexander, Entwisle, & Kabbani, 2001). We zien dan ook in verschillende landen een piek in het aantal uitvallers in het eerste jaar na een schooltransitie. In Nederland vinden we zo’n piek na de transitie van vmbo naar mbo, maar ook na de transitie van havo naar hbo, en van vwo en hbo naar de universiteit. In de VS zien we eenzelfde uitvalpiek onder meer bij de overstap van high school naar het hoger onderwijs. Kennelijk vormen transities een universele hobbel in de schoolloopbaan van leerlingen. Laten we daarom eerst eens kijken wat de onderzoeksliteratuur over schooltransities in het algemeen kan vertellen.

    Aansluiten bij nieuwe omgeving

    Een bekende theorie is dat een succesvolle schooltransitie staat of valt met de mate waarin een leerling in sociaal en inhoudelijk opzicht aansluiting vindt met de nieuwe onderwijsomgeving (Tinto, 1993). Deze zogeheten integratie is het resultaat van de interactie tussen de behoeften en benodigdheden van de leerling enerzijds en de mogelijkheden en faciliteiten die de onderwijsomgeving biedt anderzijds. Met academische integratie wordt de aansluiting met de inhoud van de opleiding en de manier van werken bedoeld. Sociale integratie heeft betrekking op de aansluiting met het sociale klimaat op school en de omgang met klasgenoten en docenten. De ervaring van de leerling staat hierbij steeds centraal. Het succes van een transitie hangt niet zozeer af van de vraag of er sprake is van een objectief vast te stellen (mis)match tussen een leerling en zijn onderwijsomgeving. Het gaat om de vraag of de leerling zelf ervaart dat hij op zijn plek zit op de betreffende school en opleiding (Tinto, 1993).

    De integratietheorie is gebaseerd op de transitie naar het hoger onderwijs in Amerika. In de VS wonen studenten meestal op de universiteitscampus, waardoor het sociale leven in sterke mate verbonden is aan de onderwijsinstelling. Dit kan verklaren waarom sociale integratie bij de transitie van vmbo naar mbo een minder bepalende rol speelt dan in Amerikaans onderzoek (Elffers, 2011). Om succesvol te kunnen integreren in een nieuwe onderwijsomgeving, dienen studenten volgens Tinto een zekere mate van commitment te hebben ten aanzien van hun nieuwe school en opleiding. Het is belangrijk dat leerlingen met een zekere overtuiging en wil om te slagen kiezen voor hun nieuwe school en opleiding. Tot slot laat onderzoek in binnen- en buitenland zien dat leerlingen uit kansarme gezinnen meer moeite hebben om zich staande te houden na de transitie naar een nieuwe onderwijsomgeving dan andere leerlingen (Roderick, 1993; Elffers, 2011).

    De transitie van vmbo naar mbo: belangrijk, maar lastig

    Terug naar de transitie van vmbo naar mbo. Hoewel de meeste vmbo-leerlingen erin slagen hun weg te vinden op het mbo, struikelen veel leerlingen bij de overstap van vmbo naar mbo (Elffers, 2011). Zo valt de helft van alle leerlingen die het mbo verlaten zonder diploma uit in het eerste jaar (Min. OCW, 2011). En dat is problematisch, want leerlingen die het mbo zonder diploma verlaten, beschikken nog niet over een startkwalificatie. Een startkwalificatie is het minimale niveau dat nodig wordt geacht om kans te maken op duurzaam werk. In Nederland is de startkwalificatie vastgesteld op een diploma op havo- of vwo-niveau of een diploma op mbo-niveau 2. Dat betekent dat vmbo-leerlingen de overstap naar het mbo moeten maken om hun startkwalificatie te kunnen behalen (leerlingen met een vmbo-tl-diploma kunnen er ook voor kiezen om hun startkwalificatie te behalen in het havo). Het is dus van groot belang dat de overstap van vmbo naar mbo voor leerlingen goed verloopt.

    Worstelen met studie- en beroepskeuze

    Om de transitie van vmbo naar mbo te maken, moeten leerlingen een keuze maken voor een opleiding en school. Met name de opleidingskeuze vinden leerlingen lastig (Neuvel & Van Esch, 2010; Voncken, Van der Kuip, Moerkamp, & Felix, 2000). Voor de meeste leerlingen vormt het mbo eindonderwijs, dat hen toeleidt naar de arbeidsmarkt. Dit betekent dat leerlingen vóór de overstap naar het mbo moeten nadenken over hun beroepskeuze en hierop hun opleidingskeuze moeten afstemmen.

    Veel leerlingen worstelen met deze keuze. Tegen het einde van het vmbo heeft 12% van de leerlingen nog helemaal geen keuze kunnen maken, terwijl 22% van de leerlingen aangeeft weliswaar een keuze te hebben gemaakt, maar nog sterk te twijfelen (Neuvel & Van Esch, 2010). Sommige leerlingen twijfelen zo sterk dat ze de overstap naar het mbo helemaal niet maken. Voor leerlingen die de overstap wel maken, beïnvloedt twijfel over de studiekeuze hun studieprestaties in het mbo in negatieve zin. Zo vallen leerlingen die onzeker zijn over hun studiekeuze beduidend vaker uit in de eerste maanden in het mbo (Neuvel & Van Esch, 2010). Geen spoortje twijfel is echter ook niet optimaal. Leerlingen die met bovenmatige overtuiging aan hun nieuwe opleiding in het mbo beginnen, lopen het risico om teleurgesteld te raken. Zo’n kloof tussen aanvankelijke verwachtingen van de opleiding en de feitelijke ervaringen lijkt vaker voor te komen onder allochtone leerlingen (Elffers, 2011).

    Waarom is de studie- en beroepskeuze voor vmbo-leerlingen zo lastig? Het maken van zo’n keuze vraagt veel van leerlingen: ze moeten inzicht hebben in de eigen interesses en mogelijkheden, maar ook in de structuur van de arbeidsmarkt en het opleidingsaanbod. Het ontbreekt leerlingen vaak aan beide (Voncken et al., 2000). Leerlingen in het mbo switchen dan ook regelmatig van opleiding, waarbij twee derde van alle switches plaatsvindt in of direct na het eerste leerjaar (Román & Van Wijk, 2012). Bovendien switcht ruim een kwart van alle leerlingen van sector bij de overstap van vmbo naar mbo (Neuvel & Van Esch, 2010). Leerlingen maken al in het derde leerjaar in het vmbo een sectorkeuze (Economie & handel, Techniek, Zorg & welzijn, Landbouw), maar kiezen bij de overstap naar het mbo vaak alsnog voor een andere richting. Leerlingen die switchen van sector bij de transitie van vmbo naar mbo halen minder vaak een diploma in het mbo dan leerlingen die doorstromen binnen dezelfde sector (Min. OCW, 2013).

    Verschillen tussen het vmbo en mbo

    Als leerlingen hun keuze eenmaal gemaakt hebben, moeten ze na de transitie hun plek zien te vinden in een andere schoolomgeving, met nieuwe medeleerlingen en docenten, en vaak ook een andere manier van werken. Er zijn grote verschillen tussen het vmbo en mbo die een soepele overstap voor sommige leerlingen in de weg kunnen staan. Zo wordt er in de meeste mbo-opleidingen een groter beroep gedaan op de zelfstandigheid en zelfregulatie van leerlingen dan in het vmbo (Verstegen & Severiens, 2007). Mbo-scholen zijn in de regel grootschaliger dan het vmbo, met minder intensief contact tussen leerlingen en schoolmedewerkers, waardoor leerlingen zich anoniemer voelen (WRR, 2008). Tot slot bieden mbo-scholen vaak minder intensieve ondersteuning en begeleiding aan leerlingen dan vmbo-scholen (WRR, 2008). Leerlingen karakteriseren de overgang van het vmbo naar het mbo dan ook als een grote en pittige stap (Verstegen & Severiens, 2007). Leerlingen die goede ondersteuning van het thuisfront krijgen, hebben meer kans om de eerste maanden na de transitie naar het mbo succesvol te doorlopen (Elffers, 2011).

    Hobbels overwinnen

    Al met al gaat de transitie van vmbo naar mbo gepaard met een aantal flinke hobbels. Daardoor weten niet alle leerlingen de overstap zonder kleerscheuren te maken. Het is daarom belangrijk om deze hobbels waar mogelijk weg te nemen, of als dat niet gaat, leerlingen te helpen om de bestaande hobbels te overwinnen. Op basis van de besproken literatuur tekent zich een drietal oplossingsrichtingen af.

    1. Investeren in loopbaanbegeleiding
    Twijfel en spijt over de studiekeuze vormen een belangrijk knelpunt bij de transitie van vmbo naar mbo. Het is dus zaak om leerlingen in het vmbo zo goed mogelijk te ondersteunen bij het maken van hun keuze. Ook moet deze ondersteuning in het mbo worden voortgezet, om de gemaakte keuze te evalueren en zo nodig de loopbaanplannen te helpen bijstellen.
    2. Ondersteuning bij het maken van de overstap
    Leerlingen vinden de overstap van vmbo naar mbo groot. Het helpt als zij hun ervaringen in de nieuwe schoolomgeving kunnen bespreken en ondersteuning krijgen bij het ontwikkelen van goede strategieën om hun weg te vinden in de nieuwe onderwijsomgeving. Dit pleit voor het versterken van ouderbetrokkenheid bij de transitie van vmbo naar mbo. En, zeker voor leerlingen die thuis weinig ondersteuning krijgen, zouden mentoren, coaches of peer tutors, aanvullende ondersteuning kunnen bieden.
    3. De transitie van vmbo naar mbo opheffen
    In vergelijking met hun leeftijdgenoten in havo en vwo, moeten vmbo-leerlingen een extra transitie maken om hun startkwalificatie te behalen. Aangezien schooltransities voor veel leerlingen een worsteling zijn, met name voor leerlingen uit kansarme gezinnen, valt er veel voor te zeggen om het vmbo te verlengen tot mbo-niveau 2. Op die manier verlaten leerlingen het vmbo na het eindexamen met de startkwalificatie reeds op zak. In de zogeheten VM2-experimenten wordt hier al enkele jaren mee geëxperimenteerd, en ook de vakmanschapsroutes die in 2015 worden ingevoerd zijn op deze gedachte gebaseerd.


    Enkele deskundigen

    Dr. Louise Elffers, lector Kansrijke Schoolloopbanen in een Diverse Stad, Hogeschool van Amsterdam
    Drs. Jan Neuvel, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs
    Dr. Wil van Esch, onderzoeker Expertisecentrum Beroepsonderwijs

    Bronnen

    • Alexander, K. L., Entwisle, D. R.. & Kabbani, N. S. (2001). The dropout process in life course perspective: Early risk factors at home and school. Teachers College Record, 103 (5), 760-882.
    • Elffers, L. (2011). The transition to post-secondary vocational education. Students’ entrance, experience and attainment. (Academisch Proefschrift). Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. (Nederlandse samenvatting)
    • Min. OCW (2011). Kerncijfers 2006-2010. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
    • Min. OCW (2013). Kerncijfers 2008-2012. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
    • Neuvel, J., & Van Esch, W. (2010). Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes. ’s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
    • Neuvel, J., & Van Esch, W. (2010). Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes. ’s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
    • Roderick. M. (1993). The path to dropping out. Westport: Auburn House.
    • Román, A., & Van Wijk, B. (2012). De middenweg tussen blijven en uitvallen: switchen. ’s-Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
    • Tinto, V. (1993). Leaving college. Chicago: University of Chicago press.
    • Verstegen, D., & Severiens, S. (2007). ‘Het MBO is totaal anders’. Rotterdam: Risbo.
    • Voncken, E., Van der Kuip, I., Moerkamp, T., & Felix, C. (2000). Je bent jong en je weet niet wat je wilt. Amsterdam: SCO Kohnstamm Instituut.
    • WRR (2008). Vertrouwen in de school. Over de uitval van ‘overbelaste’ jongeren. Amsterdam: Amsterdam University Press.

    Voor meer informatie over VM2-trajecten, zie:
    Van Schoonhoven. R., & Bouwmans, M. (2013). Vijf jaar VM2. Samenvatting van de uitkomsten van de VM2-monitor 2008-2012. ’s Hertogenbosch/Utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs.

    Voor meer informatie over vakmanschapsroutes, zie:
     http://www.aanvalopschooluitval.nl/actueel/bericht/belangstelling-voor-experimenten-met-doorlopende-leerlijn-groeit